Uitspraak
Rechtbank Rotterdam
uitspraak van de meervoudige kamer van 2 maart 2015 in de zaak tussen
[eiseres] te Capelle aan den IJssel, eiseres,gemachtigde: mr. G.H. Amstelveen,
Procesverloop
Overwegingen
30 oktober 2013 op de hoogte gebracht van het voornemen van verweerder om haar een bestuurlijke boete op te leggen en is zij in de gelegenheid gesteld om daarop haar zienswijze te geven. Bij brief van 12 november 2013 heeft eiseres een zienswijze gegeven.
Eiseres betoogt dat zij niet als overtreder kan worden aangemerkt en, indien dat wel zo zou zijn, de overtreding haar niet kan worden verweten. Daartoe voert eiseres aan dat zij geen professionele verhuurder is van wie mag worden verwacht dat hij zich tot op zekere hoogte informeert over het gebruik van zijn woning. Eiseres heeft haar woning uit noodzaak verhuurd. Er waren geen aanwijzingen dat de woning als hennepkwekerij werd gebruikt. Ook de naaste buren hebben nimmer iets vermoed. Eiseres is naïef geweest, maar dit kan haar niet worden tegengeworpen. Tevens betwist eiseres verweerders stelling dat er geen sprake was van een sluitende administratie, nu de maandelijkse huur tijdig en volledig aan haar werd voldaan. Eiseres is van mening dat zij niet de eindverantwoordelijkheid draagt voor wat er in haar woning heeft plaatsgevonden en acht het onredelijk dat zij de financiële gevolgen moet dragen, ook omdat zij niet degene is geweest die de woning ten behoeve van de hennepkwekerij heeft onttrokken en zij daarvan geen (financieel) voordeel heeft genoten. Tot slot stelt eiseres dat er sprake is van bijzondere omstandigheden die ertoe leiden dat de boete te hoog is vastgesteld. Daarbij komt dat haar draagkracht het niet toelaat om het bedrag van € 4.000,- te voldoen en dat de hoogte van de boete niet in redelijke verhouding staat tot de ernst en de verwijtbaarheid van de overtreding.
Het tweede lid, aanhef en onder c, houdt ten aanzien van de overtreding van artikel 30, eerste lid, in dat de bestuurlijke boete niet hoger kan zijn dan € 18 500,-.
Op grond van het derde lid stelt de gemeenteraad bij verordening het bedrag vast van de bestuurlijke boete die voor de verschillende overtredingen kan worden opgelegd.
Op grond van artikel 5:41 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) legt het bestuursorgaan geen bestuurlijke boete op voor zover de overtreding niet aan de overtreder kan worden verweten.
“Overtredingen die vanuit een bedrijfsmatige exploitatie worden begaan, worden zwaarder beboet. Indien de overtreder aantoonbaar vier of meer woonruimten verhuurt, wordt aangenomen dat sprake is van bedrijfsmatige exploitatie. Bij woonruimteonttrekking ten behoeve van een hennepkwekerij is altijd sprake van bedrijfsmatige exploitatie.”
In hetgeen eiseres heeft aangevoerd ziet de rechtbank geen bijzondere omstandigheden in de zin van artikel 5:46, derde lid, van de Awb die aanleiding zouden kunnen geven om van oplegging van de boete af te zien of de boete te matigen. De stelling van eiseres dat haar draagkracht het niet toelaat om de boete te voldoen brengt niet met zich dat in dit geval de boete onevenredig moet worden geacht. In dit verband overweegt de rechtbank dat inmiddels een betalingsregeling is getroffen en dat, indien door middel van beslaglegging tot invordering zou worden overgegaan, verweerder zich moet beperken tot de zogenaamde beslagvrije voet. Een en ander moet garanderen dat eiseres over een zeker bestaansminimum blijft beschikken en biedt aldus voldoende bescherming.
Uit het voorgaande volgt dat het beroep gegrond is. Het bestreden besluit dient te worden vernietigd. Met toepassing van artikel 8:72a van de Awb stelt de rechtbank de hoogte van de boete, gelet op hetgeen hierboven is overwogen, vast op € 2.000,- .
Beslissing
- verklaart het beroep gegrond;
vergoedt;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten tot een bedrag van € 980,-, te betalen aan
eiseres.
mr. C.F.J. de Jongh, leden, in aanwezigheid van mr. S.M. Joseph, griffier.