Eisers ontvingen een bijstandsuitkering en stonden ingeschreven op een adres in Rotterdam. Verweerder ontving een anonieme tip dat eisers niet op het adres verbleven, waarna een onderzoek volgde met analyse van verbruiksgegevens van water, gas en elektriciteit, een huisbezoek en verklaringen van eisers. Verweerder concludeerde dat het zeer lage verbruik en tegenstrijdige verklaringen duidden op een ander hoofdverblijf en trok de bijstand in met terugvordering.
Eisers stelden dat het lage verbruik verklaarbaar was en dat het verbruik in de tweede helft van 2013 was gestegen, dat er geen buurtonderzoek was gedaan en dat zij niet aan hun verklaringen gehouden konden worden omdat de gespreksverslagen niet ondertekend waren en zij de taal niet goed machtig waren. De rechtbank oordeelde dat het verbruik inderdaad zeer laag was tot begin 2014, maar dat vanaf november 2013 een stijging zichtbaar was en het huisbezoek geen aanwijzingen gaf dat zij niet op het adres verbleven.
De rechtbank verwierp de stellingen over onbetrouwbaarheid van verklaringen en concludeerde dat eisers gedurende een groot deel van 2013 niet hun hoofdverblijf op het uitkeringsadres hadden. Het bestreden besluit werd vernietigd voor zover het de intrekking en terugvordering betrof, en verweerder werd opgedragen een nieuw besluit te nemen. Tevens werd verweerder veroordeeld tot vergoeding van griffierecht en proceskosten.