Eiser vroeg werkloosheidsuitkering aan met een opgegeven woonadres in Rotterdam. Later bleek dat hij sinds april 2012 in België stond ingeschreven en daar woonde, wat hij niet had gemeld. Verweerder trok de uitkering en toeslag in, vorderde terugbetaling en legde een bestuurlijke boete op.
De rechtbank oordeelde dat verweerder onzorgvuldig had gehandeld door geen nader onderzoek te verrichten naar de feitelijke verblijfplaats van eiser. Hierdoor werd het besluit tot intrekking en terugvordering deels vernietigd. Desondanks achtte de rechtbank het aannemelijk dat eiser zijn hoofdverblijf in België had en dat hij zijn inlichtingenplicht had geschonden.
De rechtbank handhaafde daarom de intrekking en terugvordering van de uitkering en toeslag. De opgelegde boete werd gematigd tot 50% van het benadelingsbedrag wegens het ontbreken van opzet of grove schuld en de beperkte draagkracht van eiser. Tevens werd verweerder veroordeeld tot vergoeding van griffierecht en proceskosten.