De Nederlandsche Bank (DNB) legde aan eiseres, een beleggingsonderneming, een bestuurlijke boete van €10.000 op wegens het te laat indienen van de kwartaalrapportage over het tweede kwartaal van 2013, in strijd met artikel 3:72, eerste lid, van de Wet financieel toezicht (Wft).
Eiseres stelde dat de boete gematigd moest worden vanwege haar slechte financiële situatie, die haar voortbestaan bedreigde. De rechtbank stelde vast dat de overtreding inderdaad had plaatsgevonden, maar dat de boete in verhouding tot de financiële positie van eiseres onevenredig was. De rechtbank matigde daarom de boete tot een symbolisch bedrag van €1.000.
Daarnaast werd vastgesteld dat DNB terecht een boete kon opleggen ondanks eerdere waarschuwingen aan eiseres en dat de preventieve werking van de boete geen reden was om deze niet op te leggen. De rechtbank veroordeelde DNB ook tot vergoeding van het betaalde griffierecht en de proceskosten van eiseres.