ECLI:NL:RBROT:2015:2863

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
23 april 2015
Publicatiedatum
23 april 2015
Zaaknummer
10/995518-13
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Vrijspraak
Procedures
  • Op tegenspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 lid 3 Verordening (EG) nr. 1774/2002Art. 10 Verordening (EG) nr. 1774/2002Art. 81b Gezondheids- en welzijnswet voor dierenArt. 81c Gezondheids- en welzijnswet voor dierenArt. 2.6 lid 1 Regeling dierlijke bijproducten 2008
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vrijspraak verdachte rechtspersoon wegens correcte afgifte categorie 3-materiaal ondanks niet erkend bedrijf

De verdachte rechtspersoon werd ten laste gelegd dat zij in februari en maart 2009 meermalen categorie 3-materiaal, te weten vossenvet, had afgegeven aan een bedrijf dat niet erkend was als intermediair categorie 3-bedrijf volgens artikel 10 van Pro Verordening (EG) nr. 1774/2002.

Tijdens de terechtzitting op 9 april 2015 betoogde de raadsman dat de tenlastelegging op een verkeerde juridische grondslag was gebaseerd. De rechtbank stelde vast dat de verdachte rechtspersoon zelf een erkend intermediair categorie 3-bedrijf was en dat het hanteren of tijdelijk opslaan van categorie 3-materiaal uitsluitend binnen zulke erkende bedrijven mag plaatsvinden.

De rechtbank oordeelde dat de afgifte van het vossenvet door de verdachte rechtspersoon binnen haar erkende inrichting plaatsvond en dat de verantwoordelijkheid voor het naleven van de Verordening na afgifte bij de ontvanger lag. Het feit dat de ontvanger niet erkend was, kon de verdachte rechtspersoon niet worden toegerekend.

Daarom sprak de rechtbank de verdachte rechtspersoon vrij van de tenlastegelegde feiten. Dit vonnis werd uitgesproken op 23 april 2015 door de meervoudige kamer voor economische strafzaken van de rechtbank Rotterdam.

Uitkomst: Verdachte rechtspersoon is vrijgesproken van overtreding van artikel 6 lid 3 van Verordening (EG) nr. 1774/2002.

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam
Team straf 1
Parketnummer: 10/995518-13
Datum uitspraak: 23 april 2015
Tegenspraak
Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor economische strafzaken, in de zaak tegen de verdachte rechtspersoon:
[verdachte rechtspersoon],
gevestigd: [vestigingsadres], [vestigingsplaats],
ter terechtzitting vertegenwoordigd door [naam directeur], directeur van de verdachte rechtspersoon,
raadsman mr. F. Schneider, advocaat te Bussum.

ONDERZOEK OP DE TERECHTZITTING

Gelet is op het onderzoek op de terechtzitting van 9 april 2015.

TENLASTELEGGING

Aan de verdachte rechtspersoon is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht. Deze bijlage maakt deel uit van dit vonnis.

EIS OFFICIER VAN JUSTITIE

De officier van justitie mr. L.W. Boogert heeft gerekwireerd tot:
- bewezenverklaring van het onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde in de opzetvariant;
- veroordeling van de verdachte rechtspersoon tot een geldboete van € 20.000,--, waarvan € 10.000,-- voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren.

MOTIVERING VRIJSPRAAK

Namens de verdachte rechtspersoon heeft de raadsman bepleit dat de verdachte rechtspersoon moet worden vrijgesproken van de onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde feiten.
De raadsman heeft daartoe aangevoerd dat het door de officier van justitie aan de verdachte rechtspersoon gestelde verwijt op een verkeerde grondslag is gebaseerd. Het bepaalde in artikel 6, derde lid, van de Verordening (EG) nr. 1774/2002 (hierna: de Verordening), beoogt een regeling te bieden voor de activiteiten die plaatsvinden in intermediaire categorie 3-bedrijven waarin het betrokken materiaal, in casu het vossenvet, tussentijds wordt
gehanteerdof tijdelijk wordt
opgeslagen. Deze bepaling ziet bijgevolg niet op het
afgevenvan het vossenvet, aan een niet ex artikel 10 van Pro genoemde Verordening erkend bedrijf.
De rechtbank stelt vast dat de verdachte rechtspersoon een intermediair categorie 3-bedrijf is dat overeenkomstig artikel 10 van Pro de Verordening is erkend. Aan haar wordt verweten dat zij meermalen in strijd met artikel 6, derde lid van de Verordening, categorie 3-materiaal, te weten vossenvet, heeft afgegeven aan een bedrijf dat die erkenning niet heeft.
De rechtbank volgt de raadsman in zijn betoog dat de afgifte van vossenvet door de verdachte rechtspersoon aan [naam rechtspersoon], ook al is dat bedrijf niet overeenkomstig artikel 10 van Pro de Verordening erkend, geen overtreding oplevert van artikel 6, derde lid van de Verordening. In artikel 6, derde lid, van de Verordening is bepaald dat tussentijds hanteren of tijdelijk opslaan van categorie 3-materiaal uitsluitend mag geschieden in intermediaire categorie 3-bedrijven die overeenkomstig artikel 10 zijn Pro erkend.
Voor zover de afgifte van het vossenvet is aan te merken als het hanteren daarvan, heeft dit binnen de inrichting van de verdachte rechtspersoon plaatsgevonden en valt daarmee onder haar erkenning. Na afgifte van het vossenvet is de ontvanger, [naam rechtspersoon], aan te wijzen als verantwoordelijke om te voldoen aan de eisen die overeenkomstig de Verordening worden gesteld aan het hanteren en opslaan van het categorie 3- materiaal. Dat [naam rechtspersoon] daaraan niet voldoet kan in dit geval aan de verdachte rechtspersoon niet worden verweten met een beroep op artikel 6, derde lid, van de Verordening.
De verdachte rechtspersoon zal daarom worden vrijgesproken van de aan haar onder 1, 2 en 3 tenlastegelegde feiten.

BESLISSING

De rechtbank:
verklaart niet bewezen, dat de verdachte rechtspersoon de onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde feiten heeft begaan en spreekt de verdachte rechtspersoon daarvan vrij.
Dit vonnis is gewezen door:
mr. M.C. Franken, voorzitter,
en mrs. N. Doorduijn en H. de Doelder, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. J. Lemm, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op 23 april 2015.
De jongste rechter is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.
Bijlage bij vonnis van 23 april 2015.

TEKST TENLASTELEGGING

Aan de verdachte rechtspersoon wordt ten laste gelegd dat
1.
zij op of omstreeks 20 februari 2009, in elk geval in de maand februari 2009,
te Elsendorp, althans Lexmond, in elk geval in Nederland,
opzettelijk,
in strijd heeft gehandeld met een of meer bij de Regeling dierlijke
bijproducten 2008 aangewezen voorschrift(en) van de Verordening (EG) nr.
1774/2002,
immers heeft zij in strijd met voorschrift
- Artikel 6, derde lid, van de Verordening (EG) nr. 1774/2002,
Categorie 3-materiaal, te weten een hoeveelheid van (circa) 33.540 kg
vossenvet (van vossenhuiden afkomstig vet), in elk geval een vossenvet
bevattende substantie,
afgegeven aan [rechtspersoon], - zijnde een bedrijf waar
dit materiaal tussentijds werd gehanteerd en/of tijdelijk werd opgeslagen -,
terwijl dit bedrijf niet een intermediair categorie 3 bedrijf betrof dat
overeenkomstig artikel 10 van Pro bovengenoemde Verordening was erkend;
(art. 81b jo. 81c Gezonheids- en welzijnswet voor dieren, art. 2.6 lid 1
aanhef sub b. Regeling dierlijke bijproducten 2008, art. 6 lid 3 Verordening Pro
(EG) nr. 1774/2002, art. 1a aanhef sub 1, art. 2, en 6 Wet op de economische
Delicten)
art 81b Gezondheids- en welzijnswet voor dieren
2.
zij op of omstreeks 23 februari 2009, in elk geval in de maand februari 2009,
te Elsendorp, althans Lexmond, in elk geval in Nederland,
opzettelijk,
in strijd heeft gehandeld met een of meer bij de Regeling dierlijke
bijproducten 2008 aangewezen voorschrift(en) van de Verordening (EG) nr.
1774/2002,
immers heeft zij in strijd met voorschrift
- Artikel 6, derde lid, van de Verordening (EG) nr. 1774/2002,
Categorie 3-materiaal, te weten een hoeveelheid van (circa) 34.160 kg
vossenvet (van vossenhuiden afkomstig vet), in elk geval een vossenvet
bevattende substantie,
afgegeven aan [rechtspersoon], - zijnde een bedrijf waar
dit materiaal tussentijds werd gehanteerd en/of tijdelijk werd opgeslagen -,
terwijl dit bedrijf niet een intermediair categorie 3 bedrijf betrof dat
overeenkomstig artikel 10 van Pro bovengenoemde Verordening was erkend;
(art. 81b jo. 81c Gezonheids- en welzijnswet voor dieren, art. 2.6 lid 1
aanhef sub b. Regeling dierlijke bijproducten 2008, art. 6 lid 3 Verordening Pro
(EG) nr. 1774/2002, art. 1a aanhef sub 1, art. 2, en 6 Wet op de economische
Delicten)
art 81b Gezondheids- en welzijnswet voor dieren
3.
zij op of omstreeks 4 maart 2009, in elk geval in de maand maart 2009,
te Elsendorp, althans Lexmond, in elk geval in Nederland,
opzettelijk,
in strijd heeft gehandeld met een of meer bij de Regeling dierlijke
bijproducten 2008 aangewezen voorschrift(en) van de Verordening (EG) nr.
1774/2002,
immers heeft zij in strijd met voorschrift
- Artikel 6, derde lid, van de Verordening (EG) nr. 1774/2002,
Categorie 3-materiaal, te weten een hoeveelheid van (circa) 26.320 kg
vossenvet (van vossenhuiden afkomstig vet), in elk geval een vossenvet
bevattende substantie,
afgegeven aan [rechtspersoon], - zijnde een bedrijf waar
dit materiaal tussentijds werd gehanteerd en/of tijdelijk werd opgeslagen -,
terwijl dit bedrijf niet een intermediair categorie 3 bedrijf betrof dat
overeenkomstig artikel 10 van Pro bovengenoemde Verordening was erkend;
(art. 81b jo. 81c Gezonheids- en welzijnswet voor dieren, art. 2.6 lid 1
aanhef sub b. Regeling dierlijke bijproducten 2008, art. 6 lid 3 Verordening Pro
(EG) nr. 1774/2002, art. 1a aanhef sub 1, art. 2, en 6 Wet op de economische
Delicten)