Verzoekers ontvingen bijstand vanaf 25 november 2013, maar verweerder stelde na onderzoek dat zij niet voldeden aan de inlichtingenplicht en handelsactiviteiten via Marktplaats hadden verricht die niet waren gemeld. Verweerder herzag de bijstand en legde een bestuurlijke boete op. Verzoekers maakten bezwaar en vroegen de voorzieningenrechter om een voorlopige voorziening.
De voorzieningenrechter oordeelde dat de handelsactiviteiten niet incidenteel waren en dat verzoekers onvoldoende hadden aangetoond dat zij recht hadden op bijstand over de periode tot en met juli 2014. Daarom was intrekking over die periode terecht. Voor de periode vanaf augustus 2014 was onvoldoende bewijs van voortzetting van de handelsactiviteiten, zodat de intrekking over die periode werd geschorst tot zes weken na de beslissing op bezwaar.
De voorzieningenrechter wees het verzoek om schorsing van de terugvordering en boete af, omdat geen spoedeisend belang was aangetoond. Verweerder werd veroordeeld tot vergoeding van griffierecht en proceskosten. De uitspraak werd gedaan door mr. A.I. van Strien op 23 januari 2015.