De zaak betreft een bestuursrechtelijke procedure waarin de AFM een bestuurlijke boete van €100.000,- oplegde aan eiseres wegens het in rekening brengen van kennelijk onredelijke vergoedingen voor haar financiële dienstverlening in vijf dossiers. De AFM baseerde haar besluit op onderzoek naar de hoogte van de provisies en de aard van de dienstverlening.
Eiseres voerde aan dat de vergoeding een vaste prijs ('fixed fee') betrof, vooraf overeengekomen met de klant, en niet een uurtarief. De rechtbank oordeelde dat de AFM onvoldoende bewijs had geleverd om buiten redelijke twijfel te stellen dat de vergoeding kennelijk onredelijk was. De AFM had niet concreet gemaakt welk uurtarief en aantal uren marktconform zijn en had onvoldoende gereageerd op de door eiseres aangedragen voorbeelden van tarieven.
De rechtbank stelde vast dat het hanteren van een fixed fee het niet redelijk maakt om een urenregistratie te eisen ter verantwoording van het honorarium. Ook was niet aannemelijk gemaakt dat de vergoeding significant afweek van wat in de branche gebruikelijk is. De rechtbank verklaarde het beroep gegrond, vernietigde het bestreden besluit, herroept het primaire besluit en veroordeelde de AFM in de proceskosten.