Eiseres ontving sinds 1974 een pensioen op grond van de AWW, later omgezet in een nabestaandenuitkering op grond van de Anw. Verweerder beëindigde per 1 april 2002 de nabestaandenuitkering en vorderde terugbetaling van €61.007,67 over de periode april 2002 tot en met september 2013, omdat verweerder meende dat eiseres vanaf maart 2002 een gezamenlijke huishouding voerde met [Y].
De rechtbank oordeelt dat weliswaar sinds maart 2002 sprake is van gezamenlijk hoofdverblijf, maar dat het bewijs voor wederzijdse zorg en daarmee een gezamenlijke huishouding pas vanaf mei 2013 is vastgesteld. De onderzoeksbevindingen uit 2013 kunnen niet zonder meer worden toegepast op de periode vanaf 2002. Verweerder heeft onvoldoende onderzoek gedaan naar de situatie tussen 2002 en 2013.
Daarom is het bestreden besluit, voor zover het betrekking heeft op beëindiging en terugvordering vanaf 1 april 2002, op onvoldoende feitelijke grondslag gebaseerd en vernietigt de rechtbank dit deel van het besluit. Verweerder dient een nieuwe beslissing te nemen met inachtneming van deze uitspraak. Daarnaast wordt verweerder veroordeeld tot vergoeding van het griffierecht en proceskosten.