ECLI:NL:CRVB:2014:2056
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking nabestaandenuitkering wegens gezamenlijke huishouding zonder affectieve relatie
Appellante ontving tot 1 juli 2011 een nabestaandenuitkering op grond van de Algemene nabestaandenwet (Anw). Na een melding dat op haar adres iemand woonde die een bijstandsuitkering had aangevraagd, stelde de Sociale verzekeringsbank (Svb) een onderzoek in. Dit onderzoek, mede gebaseerd op gemeentelijke rapportages, verklaringen van appellante en de betrokkene, en objectieve criteria zoals waterverbruik, concludeerde dat sprake was van een gezamenlijke huishouding.
De Svb trok daarop de nabestaandenuitkering met terugwerkende kracht in en herzag de AOW-uitkering. Appellante tekende bezwaar aan, maar dit werd ongegrond verklaard. De rechtbank bevestigde dit oordeel en appellante ging in hoger beroep, stellende dat zij niet tijdig was geïnformeerd over de zittingsdatum en dat de rapportage onjuist was.
De Raad oordeelde dat appellante tijdig op de hoogte was en dat het begrip gezamenlijke huishouding objectief wordt vastgesteld, waarbij het ontbreken van een affectieve relatie niet relevant is. De rapportage van de gemeente en de verklaringen van partijen vormden een voldoende grondslag. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de intrekking van de uitkering bevestigd.
Uitkomst: Hoger beroep ongegrond verklaard en intrekking nabestaandenuitkering bevestigd wegens gezamenlijke huishouding.