ECLI:NL:RBROT:2015:4554

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
29 juni 2015
Publicatiedatum
25 juni 2015
Zaaknummer
ROT 15-1010
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 8:55 AwbArt. 8:24 AwbArt. 3:72 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid beroep wegens onvoldoende machtiging bij aanslag afvalstoffenheffing

Opposante stelde beroep in tegen een aanslag afvalstoffenheffing 2013, maar de rechtbank verklaarde het beroep niet-ontvankelijk omdat de bij het beroepschrift overgelegde machtiging onvoldoende specifiek was. De machtiging dateerde van 31 januari 2013, terwijl de bestreden aanslag van 31 januari 2014 was, waardoor niet vaststond dat de gemachtigde bevoegd was voor deze aanslag.

De rechtbank verzocht opposante bij aangetekend schrijven om een nieuwe machtiging te overleggen die niet ouder mocht zijn dan één jaar, maar hieraan werd geen gevolg gegeven. Opposante voerde aan dat de machtiging doorlopend was en dat er geen aanwijzingen waren dat deze was beëindigd, maar dit betoog faalde omdat de machtiging niet voldeed aan de vereisten van voldoende specificiteit.

De rechtbank baseerde zich op jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, die stelt dat een machtiging voldoende specifiek moet zijn om de grenzen van de vertegenwoordigingsbevoegdheid te bepalen. Gezien het ontbreken van een geldige machtiging werd het beroep vereenvoudigd behandeld en niet-ontvankelijk verklaard. Het verzet tegen deze beslissing werd eveneens ongegrond verklaard.

Uitkomst: Het beroep werd niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van een geldige machtiging en het verzet werd ongegrond verklaard.

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team Bestuursrecht 2
zaaknummer: ROT 15/1010
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 29 juni 2015 als bedoeld in artikel 8:55 van Pro de Algemene wet bestuursrecht op het verzet van

[opposante], te Rotterdam, opposante,

gemachtigde: mr. A. Bakker,
tegen de uitspraak van de rechtbank van 7 april 2015 in het geding tussen opposante en de directeur gemeentebelastingen Rotterdam (hierna: verweerder) over het besluit van
29 januari 2015.

Procesverloop

Bij besluit van 29 januari 2015 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van opposante tegen de aanslag afvalstoffenheffing voor het jaar 2013 ongegrond verklaard.
Opposante heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
De rechtbank heeft op 7 april 2015 bij uitspraak als bedoeld in artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) het beroep niet-ontvankelijk verklaard.
Opposante heeft tegen deze uitspraak verzet gedaan. Daarbij is niet aangegeven dat de indiener van het verzetschrift wil worden gehoord.

Overwegingen

1. In deze verzetprocedure moet de rechtbank de vraag beantwoorden of zij bij de uitspraak van 7 april 2015 het beroep van opposante terecht met toepassing van artikel 8:54 van Pro de Awb vereenvoudigd heeft behandeld, omdat zij tot het oordeel kwam dat het beroep kennelijk niet-ontvankelijk was. Dit oordeel was gebaseerd op de overweging dat niet is gereageerd op het verzoek om een schriftelijke machtiging over te leggen die niet ouder is dan één jaar.
2. Opposante betoogt dat bij het beroepschrift een doorlopende machtiging is ingezonden waaruit de vertegenwoordigingsbevoegdheid van de gemachtigde blijkt en dat, nu uit de stukken niet is gebleken van aanwijzingen dat deze volmacht is geëindigd als bedoeld in artikel 3:72 van Pro het Burgerlijk Wetboek, de rechtbank geen aanleiding heeft kunnen vinden om eraan te twijfelen of die bevoegdheid ten tijde van het instellen van beroep nog bestond en op die grond een nieuwe machtiging kon verlangen.
2.1.
Dit betoog faalt.
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) heeft in haar uitspraak van 24 december 2014 (ECLI:NL:RVS:2014:4665) overwogen dat artikel 8:24 van Pro de Awb noch enige andere rechtsregel in de weg staat aan het verlenen van een in algemene bewoordingen geformuleerde machtiging tot het voeren van procedures en het in verband daarmee verrichten van alle noodzakelijk geachte handelingen. Een machtiging dient wel voldoende specifiek te zijn om de grenzen van de vertegenwoordigingsbevoegdheid te kunnen bepalen.
2.2.
Opposante heeft een op 31 januari 2013 gedateerde machtiging overgelegd, waarin de gemachtigde wordt gemachtigd om opposante
“zowel in als buiten rechte te vertegenwoordigen in alle aangelegenheden aangaande de aanslag lokale belastingen, alsmede de daarop vermeldde WOZ-beschikking”.De machtiging ziet onder andere op
“het in ontvangst nemen van besluiten, al dan niet op grond van een bezwaarschrift genomen, daartegen bezwaar of beroep in te dienen of daartegen, al dan niet bijwege van voorlopige voorziening, beroep tegen aan te tekenen, waaronder mede begrepen administratief beroep of hoger beroep”.
2.3.
De rechtbank is van oordeel dat de door opposante bij het beroepschrift gevoegde overgelegde machtiging niet voldoet aan de vereisten die de Afdeling aan een machtiging stelt, nu deze machtiging niet voldoende specifiek is om de grenzen van de vertegenwoordigingsbevoegdheid te kunnen bepalen. De thans bestreden aanslag afvalstoffenheffing dateert namelijk van een latere datum (31 januari 2014) dan de machtiging, zodat niet op voorhand vaststaat dat de gemachtigde door opposante tevens is gemachtigd proceshandelingen te verrichten ter zake van deze aanslag.
2.4.
Gelet op het gebrek in de machtiging in deze zaak heeft de rechtbank opposante bij aangetekend schrijven van 12 februari 2015 verzocht een schriftelijke machtiging toe te sturen waaruit blijkt dat de gemachtigde ge(vol)machtigd is beroep in te stellen, onder de uitdrukkelijke vermelding dat de machtiging niet ouder mag zijn dan één jaar. Aan dit verzoek is geen gevolg gegeven en ook anderszins is niet door opposante gereageerd. Nu opposante in de brief van 12 februari 2015 is gewezen op de gevolgen indien niet aan het verzoek wordt voldaan, bestond er voldoende aanleiding het beroep met toepassing van artikel 8:54 van Pro de Awb vereenvoudigd te behandelen en het beroep niet-ontvankelijk te verklaren.
3 Om deze reden is het verzet ongegrond.
4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het verzet ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.C. Woudstra, rechter, in aanwezigheid van
J.S. Kortland, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 29 juni 2015.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.