Uitspraak
Rechtbank Rotterdam
uitspraak van de meervoudige kamer van 2 juli 2015 in de zaak tussen
[a], eiseres,
de Nederlandsche Bank N.V. (DNB), te [b], verweerster,
Rechtbank Rotterdam
De rechtbank Rotterdam heeft op 2 juli 2015 uitspraak gedaan in een bestuursrechtelijke zaak over de intrekking van een vergunning voor het verlenen van trustdiensten aan [a]. De Nederlandsche Bank (DNB) had deze vergunning ingetrokken omdat [a] niet had gemeld dat [d] een (mede)beleidsbepalende rol had en houder was van een gekwalificeerde deelneming, terwijl tegen [d] een strafrechtelijk onderzoek liep.
DNB baseerde haar besluit op onderzoeken, verklaringen en strafdossierstukken van de FIOD, waaruit bleek dat [d] feitelijk het beleid mede bepaalde en aandelen hield via een vriendendienst. De rechtbank oordeelde dat DNB terecht tot intrekking kon overgaan en dat [a] bewust een verkeerde voorstelling van zaken had gegeven door dit niet te melden.
De rechtbank verwierp de bezwaren van [a] over het zorgvuldigheidsbeginsel, het verbod van détournement de pouvoir en proportionaliteit. De intrekking werd gezien als een passende maatregel ter bescherming van de integriteit van het financiële stelsel. Het beroep werd ongegrond verklaard en het bestreden besluit bleef in stand.
Uitkomst: Het beroep van [a] tegen de intrekking van haar vergunning wordt ongegrond verklaard en het besluit van DNB blijft in stand.