ECLI:NL:RBROT:2015:4894

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
9 juli 2015
Publicatiedatum
9 juli 2015
Zaaknummer
10/997515-15
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Raadkamer
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 28 WedArt. 29 WedArt. 10, eerste lid, WedArt. 2.1 Wabo
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Opheffing voorlopige maatregel inzake opslag brandgevaarlijke stoffen wegens ontbreken dringend noodzakelijk onmiddellijk ingrijpen

De rechtbank Rotterdam behandelde het verzoek van een verdachte vennootschap tot opheffing van een voorlopige maatregel opgelegd door de officier van justitie, die het opslaan en overslaan van stoffen onder brandgevarenklasse 0 verbood. De officier van justitie vorderde daarnaast een voorlopige maatregel op grond van artikel 29 Wet Pro op de economische delicten (Wed).

De rechtbank oordeelde dat de officier van justitie ontvankelijk was in zijn vordering, maar dat het spoedeisend belang van onmiddellijk ingrijpen ontbrak. Hoewel er ernstige bezwaren waren gerezen omtrent de opslag van nafta zonder vergunning, was de vraag of de nafta onder brandgevarenklasse 0 viel pleitbaar en niet eenvoudig te beantwoorden zonder nader deskundigenonderzoek.

Het incident waarbij ongeveer 100 ton nafta verdampte vond plaats in augustus 2014, maar de maatregel werd pas zeven maanden later opgelegd en vervolgens geschorst. De rechtbank stelde vast dat het bevoegd gezag passende maatregelen had genomen, waaronder stillegging van de condensaat-splitter en het opleggen van een last onder dwangsom. Hierdoor konden veiligheids- en milieubelangen ook met minder ingrijpende maatregelen worden beschermd.

Gelet hierop concludeerde de rechtbank dat onmiddellijk ingrijpen niet dringend noodzakelijk was en hief zij de voorlopige maatregel op en wees de vordering van de officier van justitie af.

Uitkomst: De rechtbank hief de voorlopige maatregel op en wees de vordering van de officier van justitie af wegens ontbreken van dringend noodzakelijk onmiddellijk ingrijpen.

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team straf 1
Parketnummer: 10/997515-15
Datum uitspraak: 9 juli 2015
Beslissing van de rechtbank Rotterdam, meervoudige raadkamer voor economische strafzaken, op het op 20 maart 2015 ter griffie van deze rechtbank ingekomen verzoek van na te noemen verdachte vennootschap, ingediend op grond van artikel 28, derde lid, van de Wet op de economische delicten, en de mondelinge vordering van de officier van justitie in dit arrondissement van 25 juni 2015, strekkende tot oplegging van een voorlopige maatregel als bedoeld in artikel 29 van Pro de Wet op de economische delicten aan de verdachte vennootschap genaamd:
[verdachte],
gevestigd aan de [adres],
verder te noemen [verdachte].
Inhoud van het verzoekschrift
Op 18 maart 2015 heeft de officier van justitie als voorlopige maatregel als bedoeld in artikel 28, eerste lid, van de Wet op de economische delicten (hierna: Wed) bevolen dat [verdachte] zich onthoudt van op- en overslag van stoffen afkomstig van het bedrijf [belanghebbende] die overeenkomstig PGS 29 onder brandgevarenklasse 0 vallen. Daarbij is tevens een regeling als bedoeld in artikel 10, eerste lid, Wed opgelegd. Namens [verdachte] is primair verzocht de voorlopige maatregel op te heffen. Subsidiair is verzocht de daarbij opgelegde regeling op te heffen. Meer subsidiair is verzocht de voorlopige maatregel en/of de regeling te wijzigen.
Inhoud van de vordering
De (mondelinge) vordering ex artikel 29 Wed Pro van de officier van justitie strekt ertoe, dat de rechtbank als voorlopige maatregel beveelt dat [verdachte] zich onthoudt van op- en overslag van stoffen die overeenkomstig PGS 29 onder brandgevarenklasse 0 vallen.
Procedure
Op 24 maart 2015 heeft een (regie)zitting plaatsgevonden. Tijdens die zitting is - op verzoek van de officier van justitie en [verdachte] - bepaald dat een schriftelijke conclusiewisseling zal plaatsvinden, zodat de standpunten van de officier van justitie en [verdachte] zo goed mogelijk kunnen worden onderbouwd. De werking van de voorlopige maatregel en de regeling is daarbij met ingang van 18 maart 2015, met terugwerkende kracht, door de officier van justitie geschorst.
Het verzoekschrift is op 25 juni 2015 in openbare raadkamer behandeld. Daarbij zijn gehoord de officier van justitie mr. L.W. Boogert, [verdachte], vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger] en bijgestaan door mr. G.J.K. Elsen, advocaat te Rotterdam, alsook de belanghebbende, [belanghebbende], vertegenwoordigd door mrs. H.C. van Geen en N.M.D. van der Aa, beiden advocaat te Amsterdam. De officier van justitie heeft in raadkamer bovengenoemde vordering ex artikel 29 Wed Pro ingediend.
Kennisgenomen is van het verzoekschrift en de daarbij gevoegde bijlagen, alsmede van de volgende stukken en de daarbij gevoegde bijlagen:
  • de conclusie van eis van 7 april 2015;
  • de conclusie van antwoord van 21 april 2015;
  • de conclusie van repliek van 12 mei 2015;
  • de conclusie van dupliek van 16 juni 2015;
  • de e-mailwisselingen tussen de officier van justitie en de raadsman van [verdachte], die hebben plaatsgevonden naar aanleiding van de conclusie van eis en de conclusie van dupliek.
Ontvankelijkheid officier van justitie
Standpunt [verdachte]
Aangevoerd is - zo wordt begrepen - dat de officier van justitie niet-ontvankelijk moet worden verklaard in de vordering als bedoeld in artikel 29 Wed Pro. [verdachte] heeft zich op het standpunt gesteld dat in déze procedure slechts het verzoekschrift ex artikel 28 Wed Pro aan de orde is. Een bevel ex artikel 29 Wed Pro kan uitsluitend worden gevorderd tijdens de terechtzitting waarin de strafzaak inhoudelijk wordt behandeld. Daarnaast heeft [verdachte] aangevoerd dat de vordering ertoe strekt dat de rechtbank
ambtshalveals voorlopige maatregel beveelt dat de verdachte zich onthoudt van bepaalde handelingen, hetgeen wettelijk gezien niet mogelijk is. De rechtbank kan ambtshalve alleen het bevel als bedoeld in artikel 28 Wed Pro wijzigen. Tot slot heeft [verdachte] gesteld dat uit de literatuur blijkt dat de mogelijkheid om een vordering als bedoeld in artikel 29 Wed Pro in te dienen niet is bedoeld om de aan een bevel ex artikel 28 Wed Pro verbonden maximale termijn van 6 maanden te kunnen omzeilen. De officier van justitie moet dan ook een keuze maken tussen een bevel ex artikel 28 Wed Pro en een vordering ex artikel 29 Wed Pro.
Beoordeling
Op grond van artikel 29 Wed Pro kan het gerecht (lees: de rechtbank) zowel ter terechtzitting (ambtshalve) als vóór de behandeling van de strafzaak op de terechtzitting een voorlopige maatregel bevelen. De stelling van [verdachte] dat de officier van justitie een keuze moet maken tussen een bevel ex artikel 28 Wed Pro en een vordering ex artikel 29 Wed Pro, vindt geen steun in het recht.
Conclusie
De officier van justitie is derhalve ontvankelijk in zijn vordering.
Bespreking van het verzoek en de vordering
Standpunt officier van justitie
Aangevoerd is dat er - kort gezegd - ernstige bezwaren tegen [verdachte] zijn gerezen en dat de belangen die door het vermoedelijk overtreden van artikel 2.1 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht worden beschermd een onmiddellijk ingrijpen vereisen.
Standpunt [verdachte]
[verdachte] heeft zich op het standpunt gesteld dat - kort gezegd - ernstige bezwaren ontbreken, dat de voorlopige maatregel - nu deze neerkomt op een gedeeltelijke stillegging - in strijd is met de wet en met het rechtszekerheidsbeginsel en dat onmiddellijk ingrijpen geenszins is vereist. Daarnaast heeft [verdachte] zich op het standpunt gesteld dat de door de officier van justitie opgelegde regeling als bedoeld in artikel 10, eerste lid, Wed in strijd is met de Wed.
Beoordeling

1.Ernstige bezwaren?

Naar aanleiding van een incident begin augustus 2014 verwijt de officier van justitie [verdachte] nafta te hebben opgeslagen die overeenkomstig PGS 29 onder brandgevarenklasse 0 valt, terwijl [verdachte] daarvoor geen vergunning heeft. Daarbij hanteert de officier van justitie het beginkookpunt van nafta als richtsnoer.
[verdachte] stelt dat de opgeslagen nafta niet onder brandgevarenklasse 0 valt maar onder klasse 1, indien de dampspanning als criterium wordt gebruikt. De dampspanning zou volgens [verdachte] bovendien als criterium betrouwbaarder zijn.
Voor beide standpunten zijn ter gelegenheid van de conclusiewisseling en ter terechtzitting argumenten aangedragen. Beide standpunten lijken, voor zover thans te beoordelen, pleitbaar. In elk geval blijkt de vraag of de opslag van de nafta die het incident in augustus 2014 veroorzaakte, wel of niet vergund was, niet gemakkelijk te beantwoorden, zonder nader (deskundigen)onderzoek waarvoor deze procedure zich niet leent.
Mede gelet op het voorgaande is ook de vraag of er ernstige bezwaren tegen de verdachte zijn gerezen die wijzen in de richting van het verwijt dat de officier van justitie [verdachte] maakt, nog niet zo eenvoudig te beantwoorden. Om die reden zal eerst de tweede voorwaarde worden bezien die van belang is bij de beoordeling van het verzoek van [verdachte] en de vordering van de officier van justitie: is onmiddellijk ingrijpen vereist?

2.Onmiddellijk ingrijpen vereist?

Uit het onderzoek in raadkamer blijkt dat op 4 en 5 augustus 2014 ongeveer 100 ton nafta, die was opgeslagen in een tank van [verdachte], is verdampt. De nafta behoorde toe aan [belanghebbende]. Pas ruim zeven maanden na voornoemd incident heeft de officier van justitie de bovengenoemde maatregel en regeling opgelegd. Vervolgens is - als gezegd - de werking van de maatregel en de regeling door de officier van justitie geschorst. De duur van de schorsing beloopt thans ruim drie maanden. Door de voorzitter gevraagd naar het spoedeisend belang dat tot onmiddellijk ingrijpen noopt, heeft de officier van justitie in raadkamer aangevoerd - kort gezegd - dat [verdachte] niet vergunde activiteiten verricht en dat dit risico’s met zich meebrengt. Dat er (op dit moment) concreet gevaar bestaat, zoals de officier impliciet stelt, is door hem niet nader gemotiveerd. Zonder nadere toelichting is dit ook niet zonder meer in te zien. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat de twee verschillende criteria aan de hand waarvan de vluchtigheid van nafta kan worden beoordeeld - het beginkookpunt versus de dampdruk - weliswaar in de onderhavige zaak tot een verschillende uitkomst zouden kunnen leiden (klasse 0 dan wel klasse 1), maar dat daaruit nog geen concrete gevaarzetting blijkt.
Daarnaast wordt vastgesteld dat [verdachte] en [belanghebbende] direct na het incident de condensaat-splitter hebben stilgelegd en - in overleg met het bevoegd gezag - maatregelen hebben getroffen om herhaling te voorkomen. Met toestemming van de DCMR Milieudienst Rijnmond is de splitter vervolgens weer opgestart, na implementatie van een door DCMR goedgekeurd plan van aanpak. Bovendien hebben Gedeputeerde Staten van de provincie Zuid-Holland aan [verdachte] een last onder dwangsom opgelegd, teneinde [verdachte] ertoe te bewegen om overtreding van de omgevingsvergunning van 15 juni 2007 te (blijven) voorkomen. Anders dan de officier van justitie heeft betoogd, heeft het bestuurlijk bevoegd gezag bepaald niet stilgezeten.
De veiligheids- en milieubelangen kunnen dan ook worden beschermd door minder ingrijpende maatregelen, hetgeen reeds is gebeurd. Eén en ander leidt tot de conclusie dat onmiddellijk ingrijpen niet is vereist.
Conclusie
Gelet op het voorgaande wordt onmiddellijk ingrijpen als bedoeld in de artikelen 28 en 29 Wed niet dringend noodzakelijk geacht. Het als voorlopige maatregel gegeven bevel van de officier van justitie als bedoeld in artikel 28 Wed Pro wordt dan ook opgeheven en de vordering van de officier van justitie tot oplegging van een voorlopige maatregel als bedoeld in artikel 29 Wed Pro afgewezen.
Beslissing
De rechtbank Rotterdam, meervoudige raadkamer voor economische strafzaken:
Heft ophet als voorlopige maatregel gegeven bevel van de officier van justitie dat [verdachte] zich onthoudt van op- en overslag van stoffen afkomstig van het bedrijf [belanghebbende] die overeenkomstig PGS 29 onder brandgevarenklasse 0 vallen;
Wijst afde vordering van de officier van justitie, ertoe strekkende dat de rechtbank als voorlopige maatregel beveelt dat [verdachte] zich onthoudt van op- en overslag van stoffen die overeenkomstig PGS 29 onder brandgevarenklasse 0 vallen.
Deze beschikking is gewezen door
mr. E.M. Havik, voorzitter,
en mrs. J.H. Janssen en V. Mul, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. H. Biemond, griffier,
en op 9 juli 2015 in het openbaar uitgesproken.
Deze beschikking is ondertekend door de voorzitter en de griffier.
Tegen deze beschikking kan het openbaar ministerie binnen veertien dagen na de uitspraak en de verdachte binnen veertien dagen na betekening daarvan in beroep komen bij het gerechtshof Den Haag.