De rechtbank Rotterdam behandelde de zaak waarin een onderneming en twee feitelijk leidinggevenden bestuurlijke boetes kregen opgelegd wegens overtreding van het bankverbod zoals neergelegd in artikel 2:11, eerste lid, van de Wet op het financieel toezicht (Wft).
De onderneming had gelden aangetrokken via obligatie-emissies en deze uitgeleend aan een dochteronderneming die investeerde in Thais vastgoed, wat de rechtbank kwalificeerde als kredietuitzettingen voor eigen rekening en bedrijfsmatig handelen. De feitelijk leidinggevenden werden verantwoordelijk gehouden vanwege hun actieve rol en het nalaten van maatregelen om de overtreding te voorkomen.
De rechtbank verwierp het verweer dat de overtreding niet aan eisers kon worden toegerekend vanwege het inschakelen van specialisten. Wel matigde de rechtbank de boetes voor de feitelijk leidinggevenden met 25% vanwege het snel beëindigen van de overtreding en hun inspanningen daartoe.
Ten aanzien van de openbaarmaking van de boetebesluiten oordeelde de rechtbank dat volledige openbaarmaking gerechtvaardigd was, omdat geen van de wettelijke uitzonderingen op volledige openbaarmaking van toepassing waren. De beroepen van de feitelijk leidinggevenden werden deels gegrond verklaard, die van de onderneming ongegrond.
De rechtbank veroordeelde de toezichthouder tot vergoeding van griffierechten en proceskosten aan de feitelijk leidinggevenden.