6.3.Ter zake van de vraag of de toegebrachte schade mede een gevolg is van een omstandigheid die aan eiser is toe te rekenen, staat in paragraaf 1.3 van de Beleidsbundel dat verweerster hierbij kijkt of het slachtoffer zichzelf onnodig in een situatie heeft gebracht waarin hij geweld kon en moest verwachten. Aan de hand van de aard en ernst van het verwijt dat het slachtoffer kan worden gemaakt, bezien in het licht van het geweld dat tegen hem is gebruikt, wordt bepaald of een aanvraag volledig wordt afgewezen of op een lager bedrag wordt vastgesteld.
Kort samengevat heeft het volgende plaatsgevonden.
Eiser heeft voor € 100,- een tas gekocht van het merk Gucci. Later bleek dat deze tas nep was. Eiser voelde zich opgelicht door de verkoper van de tas en eiste zijn geld terug. Omdat dit niet lukte betrok eiser vervolgens de broer van de verkoper (dader) als partij in het conflict. De dader vergat die avond zijn telefoon in de snackbar waar eiser werkte. Eiser hield de telefoon bij zich. Op het moment dat de dader zijn eigen telefoon belde, gaf eiser aan dat hij zijn telefoon pas terug zou krijgen als eiser zijn geld had. De dader kwam meerdere keren naar de snackbar voor zijn mobiele telefoon. Die kreeg hij van eiser niet terug. Vervolgens ging de dader naar huis, haalde een automatisch wapen en schoot hiermee op eiser, waardoor deze gewond raakte.
Verweerster heeft bij zijn beoordeling rekening gehouden met eisers rol, de rol van de dader en het geweld dat de dader tegen eiser gebruikte.
Gelet op de toedracht hoefde eiser niet te verwachten dat dit zou uitlopen op een schietpartij. Met verweerster is de rechtbank van oordeel, dat eiser wel had kunnen verwachten dat geweld tegen hem zou worden gebruikt. Eiser zocht met zijn handelen de confrontatie op met de dader. Ook droeg zijn handelen bij aan de escalatie van het conflict. Eiser gaf nog aan dat hij het onder zich houden van de mobiele telefoon als enige mogelijkheid zag om zijn geld terug te krijgen. Dit rechtvaardigt het handelen van eiser echter niet. Eiser had in ieder geval de mogelijkheid om naar de politie te gaan. Ter zitting van de bezwaarprocedure heeft eiser zelf erkend, dat hij hoogstens had kunnen verwachten dat een vechtpartij zou ontstaan. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerster in redelijkheid kunnen stellen dat eiser zich onnodig in een situatie heeft begeven, waarin hij rekening kon en moest houden met een vorm van geweld.
Ter zake van het vergelijk dat eiser maakt met het oordeel van de strafrechter, overweegt de rechtbank dat verweerster een ander toetsingskader hanteert dan de strafrechter. Deze buigt zich immers over de vraag welk strafrechtelijk verwijt een verdachte kan worden gemaakt. Het betoog dat verweerster op de stoel van de rechter is gaan zitten, treft geen doel.
Gelet op het voorgaande heeft verweerster naar het oordeel van de rechtbank voldoende aannemelijk kunnen achten, dat de schade mede het gevolg is van een omstandigheid die aan eiser zelf is toe te rekenen. Het standpunt van eiser dat hij het geweld niet heeft geïnitieerd, leidt niet tot een ander oordeel.
In het beleid heeft verweerster rekening gehouden met een situatie zoals hier aan de orde.
Als uitgangspunt heeft verweerster in haar beleid onder meer verwezen naar een situatie, waarbij het slachtoffer de confrontatie met de dader heeft opgezocht of heeft bijgedragen aan de escalatie van een situatie, zonder daarbij geweld te gebruiken. Zulks rechtvaardigt een korting van 25%.
Bij het opstellen van het beleid is reeds een zorgvuldige belangenafweging gemaakt. Er zijn door eiser geen bijzonderheden gesteld, die verweerster noopten van het beleid af te wijken. De opmerking van eiser dat hij door het besluit onevenredig zwaar wordt getroffen, komt de rechtbank in het licht van de doelstelling die aan het besluit ten grondslag ligt, namelijk het toekennen van een tegemoetkoming voor het opgelopen letsel, onbegrijpelijk voor.
Gelet op het voorgaande heeft verweerster mede op basis van haar beleid in redelijkheid kunnen besluiten om in dit geval een korting van 25% toe te passen.
7. Gelet op hetgeen onder rechtsoverwegingen 6.1. tot en met 6.3. is overwogen kan het bestreden besluit in rechte standhouden en is het beroep ongegrond.
8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.