Eiseres ontving een bijstandsuitkering en verbleef van 20 juni 2013 tot 5 december 2013 in Suriname zonder dit tijdig te melden aan verweerder. Verweerder trok de bijstand over deze periode in, vorderde de kosten terug en legde een boete op wegens schending van de inlichtingenplicht.
De rechtbank oordeelde dat eiseres niet aannemelijk had gemaakt dat zij haar verblijf tijdig had gemeld of toestemming had gekregen. Gezien de duur van het verblijf bestond geen recht op bijstand en ook waren er geen zeer dringende redenen voor bijstand. Het beroep op het verbod van reformatio in peius faalde omdat de nieuwe informatie uit een latere aanvraag kwam.
Verweerder had ten onrechte geen rekening gehouden met de vier weken verblijf in het buitenland waarover bijstand behouden blijft. Daarom vernietigde de rechtbank het besluit voor de periode 20 juni tot 25 juli 2013 en stelde de netto-terugvordering vast op € 4.042,41. De boete werd gematigd tot 50% van het benadelingsbedrag (€ 2.030,00) vanwege persoonlijke omstandigheden van eiseres.
De rechtbank veroordeelde verweerder tot vergoeding van het griffierecht en proceskosten. Verweerder moet binnen zes weken een nieuw besluit nemen over de brutering van de terugvordering.