Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het besluit van de Belastingdienst om kinderopvangtoeslag over het laatste kwartaal van 2013 terug te vorderen. De rechtbank stelde vast dat eiseres erkende dat zij geen recht had op toeslag voor die periode, waardoor het beroep feitelijk geen inhoudelijk belang meer had.
De rechtbank overwoog dat volgens vaste jurisprudentie alleen inhoudelijk kan worden geoordeeld indien er een actueel en reëel belang is. Omdat dat ontbrak, werd het beroep niet-ontvankelijk verklaard. Wel oordeelde de rechtbank dat het primaire en bestreden besluit uiterst gebrekkig waren gemotiveerd, waardoor eiseres zich genoodzaakt zag beroep in te stellen en rechtsbijstand in te schakelen.
Daarom werd de Belastingdienst veroordeeld tot vergoeding van het betaalde griffierecht en de proceskosten van eiseres. De uitspraak werd gedaan door rechter Flikweert op 26 oktober 2015. Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.