Eiser, werkzaam als wachtmeester eerste klas bij de Koninklijke Marechaussee, kreeg zijn verklaring van geen bezwaar ingetrokken vanwege onvoldoende waarborgen omtrent zijn partner, een Georgische staatsburger. Verweerder baseerde dit op het partnerbeleid uit de Beleidsregel veiligheidsonderzoeken Defensie, waarbij het ontbreken van een samenwerkingsrelatie met Georgië leidde tot onvoldoende informatie over de partner.
Eiser voerde aan dat hij open was geweest over zijn relatie, dat het partnerbeleid niet kenbaar was gemaakt en dat documenten over zijn partner ten onrechte in twijfel werden getrokken. De rechtbank oordeelde dat het veiligheidsonderzoek was gestart vóór de inwerkingtreding van de Beleidsregel van november 2013, waardoor het overgangsrecht van toepassing was. Hierdoor was het gehanteerde toetsingskader onjuist.
De rechtbank stelde vast dat verweerder bij het nieuwe besluit op bezwaar de belangen van eiser opnieuw moet afwegen en motiveren. Het beroep werd gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en verweerder werd veroordeeld tot vergoeding van griffierecht en proceskosten.