Uitspraak
RECHTBANK ROTTERDAM
1.[eiser 1] ,
[eiser 2],
[eiser 3],
[eiseres],
[eiser 4],
[eiser 5],
[eiser 6],
[eiser 7],
[eiser 8],
[eiser 9],
[eiser 10],
Rechtbank Rotterdam
Deze civiele zaak betreft een geschil tussen een groep eisers, allen zeevarenden, en de coöperatieve Rabobank Rotterdam U.A. De kern van het geschil betreft de vraag of en in welke omvang vorderingen uit zee-arbeidsovereenkomsten met voorrang boven hypotheek kunnen worden verhaald, waarbij artikel 8:211 aanhef Pro en onder b BW centraal staat.
Op 30 september 2015 heeft de rechtbank een tussenvonnis gewezen dat een principieel oordeel bevatte over de toepasselijkheid van artikel 8:211 BW Pro. Rabobank heeft daarop bij brief van 30 oktober 2015 verzocht om toestemming voor tussentijds hoger beroep, stellende dat het oordeel een onaanvaardbare oprekking van het voorrecht inhoudt en dat een ander oordeel in hoger beroep of cassatie de verdere behandeling van de zaak wezenlijk zou beïnvloeden.
De eisers hebben bezwaar gemaakt tegen dit verzoek, stellende dat de vorderingen niet behoeven te worden begroot en dat de resterende beslissingen relatief gering zijn, zodat de afwikkeling in eerste aanleg moet worden voortgezet. De rechtbank heeft echter op 19 november 2015 het tussentijds hoger beroep toegestaan, omdat het principiële karakter van het tussenvonnis en de mogelijke gevolgen voor de omvang van de vorderingen dit rechtvaardigen.
In dit vonnis van 9 december 2015 bevestigt de rechtbank de beslissing tot het openstellen van tussentijds hoger beroep en legt zij deze beslissing vast. De procedure wordt hiermee aangepast om eerst het principiële oordeel in hoger beroep te toetsen alvorens de omvang van de vorderingen definitief wordt vastgesteld.
Uitkomst: De rechtbank staat tussentijds hoger beroep toe tegen het tussenvonnis van 30 september 2015 over artikel 8:211 BW.