Uitspraak
Rechtbank Rotterdam
1.Onderzoek op de terechtzitting
2.Tenlastelegging
3.Eis officier van justitie
- bewezenverklaring van het tenlastegelegde;
- veroordeling van de verdachte rechtspersoon tot een geldboete van € 10.000,00.
4.Het verloop van de procesgang
5.Overwegingen.
37. Volgens vaste rechtspraak hangt de kwalificatie als afvalstof evenwel vooral af van het gedrag van de houder en van de betekenis van de uitdrukking „zich ontdoen van”.”
44 In haar schriftelijke opmerkingen heeft de Commissie niettemin betoogd dat de betrokken partij, daar zij enerzijds ongeschikt was voor het gebruik waarvoor de Belgische klant haar had bestemd en deze anderzijds de partij wegens haar te lage vlampunt niet mocht opslaan, voor deze klant een last was waarvan hij voornemens was zich te ontdoen of zich moest ontdoen.
45 Deze omstandigheden volstaan op zichzelf echter niet om te concluderen dat de partij een afvalstof in de zin van artikel 1, lid 1, sub a, van richtlijn 2006/12 was. Eerst moet immers worden nagegaan of de Belgische klant, door de partij aan het concern te retourneren omdat zij niet aan de overeengekomen kenmerken voldeed, zich daadwerkelijk ervan heeft ontdaan in de zin van artikel 1, lid 1, sub a, van richtlijn 2006/12.
46 In dat verband is de omstandigheid dat de Belgische klant de non-conforme ULSD aan het concern heeft geretourneerd met het oog op terugbetaling van de aankoopprijs krachtens de koopovereenkomst, van bijzonder belang. Een klant die aldus handelt, kan niet worden beschouwd als een persoon die voornemens was de betrokken partij te verwijderen of er een nuttige toepassing voor te vinden, en derhalve heeft hij er zich niet van ontdaan in de zin van artikel 1, lid 1, sub a, van richtlijn 2006/12. In omstandigheden als in de hoofdgedingen is het risico dat de houder zich van deze partij ontdoet op een manier die nadelige gevolgen voor het milieu kan hebben, bovendien laag. Dat geldt temeer indien de stof of het voorwerp in kwestie een niet onaanzienlijke marktwaarde heeft, zoals in deze zaken.”
free on board,zodat de eigendom van - en daarmee het houderschap over - die partij ULSD is overgegaan op de klant op het moment dat deze aan boord van het vrachtschip [naam schip] werd gebracht. De verontreiniging van de partij ULSD met MTBE is pas nadien, aan boord van het vrachtschip, ontstaan doordat zich in de tanks van genoemd schip nog resten van een eerder vervoerde lading MTBE bevonden.
de omstandigheid dat de Belgische klant de non-conforme ULSD aan het concern heeft geretourneerd met het oog op terugbetaling van de aankoopprijs krachtens de koopovereenkomst,”te beperkt.
AB2014/235, rov. 4.3).