Uitspraak
Rechtbank Rotterdam
uitspraak van de meervoudige kamer van 23 maart 2016 in de zaak tussen
[eiseres], te [woonplaats], eiseres,
de directie van het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen (CBR), verweerder,
Procesverloop
Overwegingen
.De stelling van eiseres dat dit slechts een toevalligheid is en fraude niet aannemelijk maakt, volgt de rechtbank niet. Blijkens de bestuurlijke rapportage en het proces-verbaal van 23 januari 2015 zijn de rijschoolhouder en de examinator als verdachte aangemerkt in het onderzoek en hebben de examinator en de rijschoolhouder bekennende verklaringen afgelegd. Doordat eiseres is geslaagd voor haar rijexamen bij deze examinator en via deze rijschool, rijst een vermoeden dat sprake was van fraude in het geval van het rijexamen van eiseres. Het is een begin van aannemelijkheid van de fraude maar verweerder heeft terecht gesteld dat van nog een andere indicator sprake moet zijn wil de fraude voldoende aannemelijk kunnen zijn.
3examens op 8 april 2014. Volgens informatie van de politie zijn op die datum daadwerkelijk drie examens afgenomen door de examinator bij kandidaten van de verdachte rijschool, waaronder bij eiseres. Naar het oordeel van de rechtbank kan uit voornoemde informatie voldoende worden afgeleid dat de examinator en de rijschoolhouder afspraken hebben gemaakt over het plaatsvinden van het examen van eiseres op 8 april 2014. Voorts heeft verweerder ook nog van belang mogen achten dat de rijschoolhouder de fraude met de examinator heeft bekend. In het proces-verbaal van 8 januari 2016 en het proces-verbaal van 23 januari 2015 is weergegeven dat de betreffende rijschoolhouder bekennende verklaringen heeft afgelegd.