Eiser verzocht het waterschap Hollandse Delta om een verkeersbesluit te nemen voor een parkeerverbod ter hoogte van zijn woning aan de [straatnaam] te [woonplaats]. Na een langdurige procedure met meerdere brieven, een verzet en een dwangsom, nam het waterschap uiteindelijk een besluit tot afwijzing van het verzoek.
Eiser stelde dat de smalle weg onvoldoende ruimte biedt voor zwaar landbouwverkeer wanneer er geparkeerd wordt, en dat de belangen van de bewoners onvoldoende werden meegewogen. Verweerder stelde dat de verkeersintensiteit laag is en dat de noodzakelijke maatregelen vergaand en kostbaar zijn, niet in verhouding tot het belang van eiser.
De rechtbank oordeelde dat het waterschap een ruime beoordelingsmarge heeft bij verkeersbesluiten en dat er geen sprake is van een onevenwichtige belangenafweging. Het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit werd niet-ontvankelijk verklaard omdat het besluit inmiddels was genomen en de dwangsom was betaald. Het beroep tegen het inhoudelijke besluit werd ongegrond verklaard.
De rechtbank benadrukte dat het waterschap ook rekening moet houden met de belangen van andere bewoners en dat eiser en bewoners onderling afspraken kunnen maken over het gebruik van de weg. Een proceskostenveroordeling werd niet opgelegd.
Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.