Uitspraak
200708542/1, terecht overwogen dat het verkeersbesluit moet worden bezien tegen de achtergrond van de afronding van de reconstructie Midden-Delfland. Met die reconstructie is onder meer een goede en deugdelijke ontsluiting van de Duifpolder beoogd. Hiertoe heeft de Reconstructiecommissie voor Midden-Delfland het noodzakelijk geacht dat onder meer de eigendom van de brug, die deel uitmaakt van de uitweg die [appellanten] met ontheffing van het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland in 1971 hebben aangelegd om hun erf te ontsluiten op de provinciale weg N 468, aan de gemeente Midden-Delfland werd toebedeeld. Bij vonnis van 29 juni 2005 in zaak nr. 238619/HA ZA 05 1442 heeft de rechtbank Rotterdam deze toedeling rechtmatig geacht. Gelet hierop staat vast dat de gemeente Midden-Delfland sindsdien zakelijk gerechtigde tot de brug is en dat de brug onder haar beheer berust. Voorts is tussen partijen niet in geschil dat de gemeente Midden-Delfland beheerder van het pad van de [locatie] is en dat dit pad voor openbaar verkeer openstaat.
200806520/1/H3) is voor het bepalen of een weg voor openbaar verkeer openstaat als bedoeld in artikel 1 van Pro de Wvw 1994 de feitelijke situatie ter plaatse bepalend. Uit de in beroep en hoger beroep overgelegde stukken en de ter zitting getoonde foto's blijkt dat het weggedeelte op het betreffende perceel de verbinding vormt tussen de brug en het pad van de [locatie]. Niet in geschil is dat dit weggedeelte feitelijk reeds vóór het nemen van het verkeersbesluit door openbaar verkeer werd gebruikt om vanaf de brug het pad van de [locatie] op te rijden. Dat [appellanten] met borden en opschriften kenbaar hebben gemaakt dat de brug niet toegankelijk was voor openbaar verkeer, omdat volgens hen alleen zij ontheffing van het college van gedeputeerde staten hebben om uit te wegen op de N 468, doet aan die feitelijke situatie niet af. Bovendien waren zij na de toedeling van de brug aan de gemeente Midden Delfland niet meer gerechtigd dergelijke borden en opschriften te plaatsen. De Wvw 1994 is derhalve van toepassing op het weggedeelte op het betreffende perceel. De rechtbank is terecht tot dezelfde conclusie gekomen.
200605125/1), komt het college bij het nemen van een verkeersbesluit een ruime beoordelingsmarge toe. Het is aan het college om alle verschillende bij het nemen van een dergelijk besluit betrokken belangen tegen elkaar af te wegen. De rechter zal zich bij de beoordeling van een dergelijk besluit terughoudend moeten opstellen en slechts dienen te toetsen of het besluit strijdig is met wettelijke voorschriften, dan wel of sprake is van zodanige onevenwichtigheid in de afweging van de betrokken belangen, dat het bestuursorgaan niet in redelijkheid tot dat besluit heeft kunnen komen.