ECLI:NL:RBROT:2016:2441
Rechtbank Rotterdam
- Eerste aanleg - meervoudig
- M.G.L. de Vette
- A.I. van Strien
- M.C. Snel-van den Hout
- Rechtspraak.nl
Beoordeling van parkeerverbod op smalle weg met landbouwverkeer
Eiser verzocht het college van dijkgraaf en heemraden van het waterschap Hollandse Delta om een verkeersbesluit te nemen dat een parkeerverbod instelt op de [straatnaam], een smalle weg met passeerplaatsen in de gemeente [gemeente]. Dit verzoek werd op 22 december 2015 afgewezen. Eiser stelde hiertegen rechtstreeks beroep in bij de rechtbank Rotterdam.
Verweerder baseerde het besluit op een verkeersonderzoek van verkeersbureau De Groot Volker, dat concludeerde dat de parkeersituatie geen negatieve invloed heeft op de verkeersveiligheid en dat de minimale passeerruimte 3,5 meter bedraagt. Eiser betwistte dit en stelde dat de benodigde passeerruimte voor landbouwvoertuigen groter is, verwijzend naar CROW-richtlijnen en een eigen rapport van verkeersdeskundige Veenbrink.
De rechtbank oordeelde dat verweerder een ruime beoordelingsmarge heeft en dat de afwijking van de CROW-richtlijnen gemotiveerd is, aangezien deze richtlijnen voor nieuwe situaties gelden en de weg een bestaande inrichting heeft. Ook is rekening gehouden met de belangen van andere bewoners die niet allemaal op eigen terrein kunnen parkeren. De rechtbank vond geen sprake van een onredelijke belangenafweging en verklaarde het beroep ongegrond.
Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Uitkomst: Het beroep tegen het parkeerverbodbesluit wordt ongegrond verklaard omdat de belangenafweging niet onredelijk is.