Verzoeker ontving een bijstandsuitkering en werd meerdere keren uitgenodigd voor gesprekken over zijn arbeidsmogelijkheden. Hij verscheen niet op drie gesprekken, waarop het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam zijn uitkering verlaagde met 30% en 100% voor verschillende maanden. Verzoeker maakte bezwaar en vroeg om voorlopige voorziening.
De rechtbank oordeelde dat verweerder niet aannemelijk had gemaakt dat verzoeker de uitnodigingen voor twee van de drie gesprekken had ontvangen, waardoor geen verwijtbaar gedrag kon worden vastgesteld voor die twee gevallen. Daarom werden de besluiten tot verlaging van de uitkering voor die maanden geschorst. Voor het gesprek van 10 december 2015 was verzoeker verwijtbaar afwezig zonder geldige afmelding, waardoor een maatregel van 30% passend werd geacht.
De rechtbank bepaalde dat verweerder de uitkering voor januari en februari 2016 moest uitbetalen en dat de maatregel voor februari 2016 werd vastgesteld op 30%. Tevens werden de griffierechten en proceskosten aan verzoeker toegekend. Tegen deze uitspraak is geen rechtsmiddel mogelijk.