Eiseres was sinds juni 2009 in dienst bij haar werkgever die in mei 2014 de onderneming beëindigde en ontslag per 1 juni 2014 aanvroeg. Verweerder kende een WW-uitkering toe vanaf 1 juli 2014, rekening houdend met een fictieve opzegtermijn van één maand. Eiseres betwistte de latere ingangsdatum en de korting van 10% gedurende twee maanden wegens te late inschrijving bij het UWV.
De rechtbank oordeelde dat eiseres een benadelingshandeling heeft gepleegd door niet te protesteren tegen het niet in acht nemen van de opzegtermijn, wat rechtvaardigt dat de WW-uitkering wordt geweigerd voor de periode dat aanspraak op loon bestond. Het niet kunnen verhalen van loon op de werkgever en het niet machtig zijn van de Nederlandse taal leiden niet tot verminderde verwijtbaarheid.
Wel werd geoordeeld dat verweerder ten onrechte niet op het bezwaar tegen de korting van 10% had beslist, waardoor dat deel van het besluit werd vernietigd. De rechtbank handhaafde echter de korting zelf, omdat eiseres onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat zij tijdig was ingeschreven bij het UWV. De rechtbank wees het verzoek om schadevergoeding af en veroordeelde verweerder in de proceskosten.