ECLI:NL:RBROT:2016:3703
Rechtbank Rotterdam
- Bodemzaak
- M.G.L. de Vette
- D. Brugman
- J. Fransen
- Rechtspraak.nl
Sluiting woning wegens handel in verdovende middelen in Rotterdam
Eiseres huurde een woning in Rotterdam die op 28 oktober 2014 werd doorzocht naar aanleiding van informatie over drugshandel. In de woning werden 298,4 gram heroïne, 40,3 gram cocaïne, diverse druggerelateerde attributen en een geladen vuurwapen aangetroffen. Verweerder legde op grond van artikel 13b van de Opiumwet een last onder bestuursdwang op tot sluiting van de woning voor zes maanden.
Eiseres voerde aan niet op de hoogte te zijn van de criminele activiteiten in haar woning en dat de hoeveelheid drugs niet duidde op handel. Zij stelde dat een waarschuwing volstond en dat sluiting onevenredig nadeel zou veroorzaken. De rechtbank oordeelde dat de hoeveelheid drugs ruim boven de gebruikershoeveelheid lag en dat de aanwezigheid van attributen en wapens duidde op handel en criminele activiteiten.
De rechtbank stelde vast dat de bevoegdheid tot sluiting niet vereist dat er sprake is van daadwerkelijke handel of overlast, enkel de aanwezigheid van een handelshoeveelheid is voldoende. Verweerder had beleidsvrijheid en had de belangen zorgvuldig afgewogen. Gezien de ernst van de situatie en de problematiek in de wijk was sluiting noodzakelijk voor herstel van de openbare orde en het woon- en leefklimaat.
De stelling van eiseres dat zij het contact met haar vriend had verbroken en nooit eerder in aanraking was gekomen met justitie, deed hieraan niet af. Het beroep werd ongegrond verklaard en de sluiting gehandhaafd.
Uitkomst: Het beroep tegen de sluiting van de woning wegens handel in verdovende middelen wordt ongegrond verklaard.