ECLI:NL:RVS:2014:3941
Raad van State
- Hoger beroep
- C.H.M. van Altena
- B.J. van Ettekoven
- G.M.H. Hoogvliet
- Rechtspraak.nl
Bevestiging uitspraak rechtbank over sluiting woning wegens handelshoeveelheid softdrugs
De burgemeester van Rotterdam legde op 7 december 2012 een last onder bestuursdwang op om een woning te sluiten voor zes maanden vanwege de aanwezigheid van 84,4 gram softdrugs, een drugspers en munitie. Het bezwaar van de bewoner werd door de burgemeester afgewezen, maar de rechtbank verklaarde het beroep gegrond en vernietigde het besluit, met de opdracht aan de burgemeester een nieuw besluit te nemen.
In hoger beroep betoogde de burgemeester dat hij beleidsvrijheid had en dat sluiting passend was binnen het gemeentelijk beleid. De bewoner stelde onder meer dat geen sprake was van drugshandel en dat de bewijslastverdeling in strijd was met het EVRM. De Afdeling oordeelde dat bestuursdwang op grond van artikel 13b Opiumwet geen strafsanctie is en dat de burgemeester beleidsvrijheid heeft, maar dat hij alle relevante feiten en indicatoren zorgvuldig moet afwegen.
De Afdeling concludeerde dat de burgemeester onvoldoende rekening had gehouden met de sociaal kwetsbare positie van de bewoner en het recht op eerbiediging van de woning zoals beschermd door artikel 8 EVRM Pro. De enkele aanwezigheid van een handelshoeveelheid softdrugs en een drugspers waren indicatoren, maar het ontbreken van klachten of overlast en de zorgsituatie van de bewoner maakten sluiting niet redelijk. Het hoger beroep van de burgemeester en het incidenteel hoger beroep van de bewoner werden ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
De Afdeling bepaalde dat tegen het nieuwe besluit slechts bij haar beroep kan worden ingesteld en veroordeelde de burgemeester tot vergoeding van proceskosten van €974,00. Tevens werd griffierecht van €493,00 geheven.
Uitkomst: De Afdeling bevestigt dat de burgemeester niet in redelijkheid tot sluiting van de woning kon besluiten en wijst het hoger beroep af.