ECLI:NL:RBROT:2016:3912

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
27 mei 2016
Publicatiedatum
26 mei 2016
Zaaknummer
15/280
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:3 AwbArt. 6:7 AwbArt. 6:8 AwbArt. 6:11 AwbArt. 8:72 Awb
Verwijzingen
10 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging besluit afwijzing bezwaar besteding persoonsgebonden budget

Eiseres maakte bezwaar tegen de afkeuring van de besteding van haar persoonsgebonden budget (PGB) over de periode 1 januari 2013 tot en met 30 juni 2013. Verweerder, Zilveren Kruis Zorgkantoor, verklaarde het bezwaar niet-ontvankelijk omdat het te laat was ingediend en stelde dat de verantwoordingsbrief van 12 mei 2014 geen besluit was.

De rechtbank oordeelde dat de brief van 12 februari 2014 wel een besluit in de zin van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is, omdat deze concrete bedragen noemt en rechtsgevolgen heeft. Het bezwaar tegen dit besluit was echter te laat ingediend en verweerder had het bezwaar terecht niet-ontvankelijk moeten verklaren.

De brief van 12 mei 2014 was slechts een herhaling van het primaire besluit en geen nieuw besluit, waardoor het bezwaar daartegen eveneens niet-ontvankelijk was. De rechtbank vernietigde het bestreden besluit en besloot zelf de bezwaren niet-ontvankelijk te verklaren. Verweerder werd veroordeeld tot vergoeding van het betaalde griffierecht en proceskosten aan eiseres.

Uitkomst: Het bestreden besluit wordt vernietigd en de bezwaren worden alsnog niet-ontvankelijk verklaard; verweerder wordt veroordeeld tot vergoeding van griffierecht en proceskosten.

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team Bestuursrecht 1
zaaknummer: ROT 15/280

uitspraak van de meervoudige kamer van 27 mei 2016 in de zaak tussen

[eiseres], te [woonplaats] , eiseres,
gemachtigde: mr. J. Nieuwstraten,
en

Zilveren Kruis Zorgkantoor N.V. (voorheen Achmea Zorgkantoor N.V.), verweerder,

gemachtigden: mr. M. Emerenciana en mr. C. Hartman.

Procesverloop

Bij brief van 12 februari 2014 heeft verweerder de besteding door eiseres van haar persoonsgebonden budget (PGB) in de periode van 1 januari 2013 tot en met 30 juni 2013, voor een bedrag van € 9.000,00 afgekeurd en voor een bedrag van € 10.300,00 goedgekeurd.
Bij brief van 1 april 2014 heeft eiseres bezwaar gemaakt tegen de afkeuring van 12 februari 2014.
Bij brief van 12 mei 2014 (“Verantwoordingsbeschikking PGB”) heeft verweerder de besteding door eiseres van haar PGB in de periode van 1 januari 2013 tot en met 30 juni 2013 voor een bedrag van € 9.000,00 afgekeurd en voor een bedrag van € 10.300,00 goedgekeurd.
Bij brief van 18 juni 2014 heeft eiseres bezwaar gemaakt tegen de afkeuring van 12 mei 2014.
Bij besluit van 2 december 2014 (het bestreden besluit) heeft verweerder de bezwaren van eiseres tegen de brieven van 12 februari 2014 en 12 mei 2014 ongegrond verklaard.
Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 maart 2016. Eiseres heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde. Tevens is verschenen de zus van eiseres. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden.

Overwegingen

1. In beroep heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat het bezwaar van 1 april 2014 na afloop van de bezwaartermijn is ingediend en daarom niet-ontvankelijk had moeten worden verklaard. De brief van 12 mei 2014 is volgens verweerder niet gericht op rechtsgevolg en kan daarom niet worden aangemerkt als een besluit in de zin van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Het bezwaar tegen deze brief is daarom eveneens niet-ontvankelijk.
2. Op grond van artikel 6:7 van Pro de Awb bedraagt de termijn voor het indienen van een bezwaarschrift zes weken. Gelet op artikel 6:8, eerste lid, van de Awb vangt deze termijn aan met ingang van de dag na die waarop het besluit op de voorgeschreven wijze is bekendgemaakt. Artikel 6:11 van Pro de Awb bepaalt dat ten aanzien van een na afloop van de termijn ingediend bezwaarschrift niet-ontvankelijkverklaring op grond daarvan achterwege blijft indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest.
3.1.
Ter zitting heeft eiseres betoogd dat de brief van 12 februari 2014 geen besluit is in de zin van artikel 1:3 van Pro de Awb, zodat met deze brief geen bezwaartermijn is aangevangen. Dit betoog slaagt niet. Anders dan in de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van 28 september 2015 (ECLI:NL:RBNHO:2015:8867), waar eiseres naar heeft verwezen, worden in de brief van 12 februari 2014 concrete bedragen genoemd van de kosten die zijn afgekeurd en de kosten die zijn goedgekeurd. De mededelingen in de brief zijn op rechtsgevolg gericht. De brief moet daarom worden aangemerkt als een besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb. De rechtbank verwijst naar bijvoorbeeld de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 24 november 2009 (ECLI:NL:CRVB:2009:BK4988).
3.2.
Eiseres betwist niet dat het bezwaarschrift van 1 april 2014, gericht tegen de als primair besluit aan te merken brief van 12 februari 2014, na afloop van de bezwaartermijn is ingediend. Eiseres heeft niet gereageerd op de brief van verweerder van 2 april 2014, waarin is verzocht om aan te geven waarom het bezwaarschrift te laat is ingediend. Niet gebleken is van omstandigheden op grond waarvan redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat eiseres in verzuim is geweest. Dit betekent dat verweerder het bezwaar tegen het primaire besluit niet-ontvankelijk had moeten verklaren.
3.3.
Met de brief van 12 mei 2014 worden, anders dan eiseres meent, geen nieuwe rechtsgevolgen in het leven geroepen. De brief is slechts een herhaling van het primaire besluit en is daarom geen besluit in de zin van artikel 1:3 van Pro de Awb. Dit betekent dat verweerder het hiertegen gerichte bezwaar eveneens niet-ontvankelijk had moeten verklaren.
4. Het beroep is gegrond. Het bestreden besluit dient te worden vernietigd.
5. De rechtbank ziet aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Awb zelf in de zaak voorzien door de bezwaren alsnog niet-ontvankelijk te verklaren.
6. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eiseres het door haar betaalde griffierecht vergoedt.
7. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiseres gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 992,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 496,- en wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:
 verklaart het beroep gegrond;
 vernietigt het bestreden besluit;
 bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit, hetgeen in dit geval inhoudt dat de bezwaren tegen het primaire besluit en tegen de brief van 12 mei 2014 niet-ontvankelijk worden verklaard;
 bepaalt dat verweerder aan eiseres het betaalde griffierecht van € 45,- vergoedt;
 veroordeelt verweerder in de proceskosten tot een bedrag van € 992,-, te betalen aan eiseres.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J. Bergen, voorzitter, in aanwezigheid van mr. H. Bedee en mr. S.E.C. Debets, rechters, en mr. A.M.P. Meijer, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 27 mei 2016.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.