ECLI:NL:RBROT:2016:4071

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
2 juni 2016
Publicatiedatum
31 mei 2016
Zaaknummer
ROT 15/3518
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep tegen tenuitvoerlegging voorwaardelijk strafontslag wegens vermeend plichtsverzuim

Eiser was politieambtenaar en kreeg op 3 oktober 2013 een voorwaardelijk strafontslag opgelegd met een proeftijd van twee jaar. Verweerder besloot op 29 oktober 2014 tot onmiddellijke tenuitvoerlegging van dit strafontslag wegens vermeend ernstig plichtsverzuim: ongeoorloofde afwezigheid op 14 juli 2014 en het niet juist verantwoorden van die dienst in het BVCM-systeem.

Eiser voerde aan dat geen sprake was van ernstig plichtsverzuim omdat hij dacht niet op zijn reguliere werkplek te hoeven zijn en zijn lijnchef de registratie digitaal had goedgekeurd. De rechtbank oordeelde dat het handelen van eiser weliswaar plichtsverzuim was, maar niet ernstig. Bovendien was onduidelijk welke regels verweerder hanteert bij het eerder naar huis gaan na een training.

Daarom waren de voorwaarden voor tenuitvoerlegging niet vervuld en was verweerder niet bevoegd het strafontslag uit te voeren. De rechtbank verklaarde het beroep gegrond, vernietigde het bestreden besluit, herroept het primaire besluit en veroordeelde verweerder tot vergoeding van griffierecht en proceskosten.

Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard en het besluit tot tenuitvoerlegging van het voorwaardelijk strafontslag wordt vernietigd.

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team Bestuursrecht 2
zaaknummer: ROT 15/3518

uitspraak van de meervoudige kamer van 2 juni 2016 in de zaak tussen

[naam 1] , te [woonplaats] , eiser,

gemachtigde: mr. F. Aarts,
en

de korpschef van politie, verweerder,

gemachtigde: mr.drs. M.J.M. Suijs .

Procesverloop

Bij besluit van 29 oktober 2014 (het primaire besluit) heeft verweerder besloten tot tenuitvoerlegging met onmiddellijke ingang van het aan eiser op 3 oktober 2013 opgelegde voorwaardelijk strafontslag.
Bij besluit van 30 april 2015 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 maart 2016. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde, vergezeld door [naam 3] , juridisch adviseur en [naam 2] , plaatsvervangend districtschef.

Overwegingen

1.1.
Eiser was sinds 27 oktober 2008 werkzaam bij de politieregio [woonplaats] -Rijnmond, thans de Regionale Eenheid [woonplaats] als politieambtenaar.
1.2.
Eiser is bij besluit van 3 oktober 2013 voorwaardelijk ontslag met een proeftijd van twee jaar opgelegd. Onder verwijzing naar het voornemen van 24 juli 2013 is daarbij aangekondigd dat tot tenuitvoerlegging van het ontslag zal worden overgegaan als eiser zich binnen de proeftijd schuldig maakt aan soortgelijk plichtsverzuim als dat waarvoor het strafontslag is opgelegd of enige andere vorm van ernstig plichtsverzuim.
2. Verweerder heeft aan het primaire besluit ten grondslag gelegd dat eiser zich schuldig heeft gemaakt aan ernstig plichtsverzuim, omdat hij op 14 juli 2014 van 12:00 tot 17:00 uur ongeoorloofd afwezig is geweest en dat hij (bewust) de desbetreffende dienst niet juist heeft verantwoord in BVCM.
3. Bij het bestreden besluit heeft verweerder, onder verwijzing naar het advies van de Bezwaaradviescommissie HRM van 8 april 2015 het primaire besluit gehandhaafd.
4. Eiser voert als beroepsgrond aan dat geen sprake is van ernstig plichtsverzuim. Eiser verkeerde in de veronderstelling dat hij gedurende deze uren niet op zijn reguliere werkplek hoefde te verschijnen. Zijn lijnchef heeft zijn registratie op 19 juli 2014 in het BVCM-systeem digitaal gefiatteerd.
4.1.
Bij de beoordeling van een besluit als het onderhavige tot tenuitvoerlegging van een voorwaardelijk strafontslag dient allereerst beoordeeld te worden of de voorwaarden daarvoor zijn vervuld.
4.2.
De rechtbank is van oordeel dat dit niet het geval is. Zij overweegt daartoe het volgende.
Eiser genoot van 10 juli 2014 tot 18 juli 2014 verlof en volgde in deze verlofperiode op 14 juli 2014 een zogenoemde integrale beroepsvaardighedentraining (IB-training) in [plaats] . De activiteiten van deze training waren, anders dan voorzien, reeds om 12.00 uur afgelopen. Eiser is toen zonder overleg met een leidinggevende naar huis gegaan en heeft op zijn eerstvolgende werkdag, 18 juli 2014, de dag van de training in zijn geheel verantwoord als een werkdag.
Naar het oordeel van de rechtbank kan het handelen van eiser worden aangemerkt als plichtsverzuim. Van ernstig plichtsverzuim kan evenwel naar het oordeel van de rechtbank niet worden gesproken. Het gaat hier immers slechts om een enkele misslag van eiser in de BVCM-registratie waarbij de rechtbank, anders dan verweerder en mede gelet op het verhandelde ter zitting, de overtuiging heeft gekregen dat eiser de regels niet doelbewust heeft overtreden. Daarbij is voorts van belang dat uit de stukken naar voren komt dat verweerder het in voorkomend geval betrokkenen niet tegenwerpt dat zij na afloop van een vroeg(er) geëindigde IB-training (eerder) naar huis gaan, doch dat onduidelijk is welke grenzen verweerder daarbij in de praktijk daadwerkelijk hanteert. Deze onduidelijkheid kan eiser in een geval als het onderhavige niet worden tegengeworpen.
5. Nu van een ernstig plichtverzuim geen sprake was zijn de voorwaarden om tot tenuitvoerlegging van het voorwaardelijk strafontslag te besluiten niet vervuld. Verweerder was dan ook niet bevoegd op die grond tot strafontslag over te gaan.
6. Gelet op het voorgaande is het beroep gegrond en behoeven de overige beroepsgronden van eiser geen bespreking. De rechtbank ziet aanleiding zelf in de zaak te voorzien door het bezwaar gegrond te verklaren en het primaire besluit te herroepen.
7. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eiser het door hem betaalde griffierecht vergoedt.
8. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1984,- (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift en 1 punt voor het verschijnen ter hoorzitting, 1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van 496,- en wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep gegrond;
  • vernietigt het bestreden besluit;
  • verklaart het bezwaar gegrond;
  • herroept het primaire besluit;
  • bepaalt dat verweerder aan eiser het betaalde griffierecht van € 167,- vergoedt;
  • veroordeelt verweerder in de proceskosten tot een bedrag van € 1984,- te betalen aan eiser.
Deze uitspraak is gedaan door mr. I.M. Ludwig, voorzitter, en mr. L.A.C. van Nifterick en mr. A.G. van Malenstein, leden, in aanwezigheid van mr. E. Naaijen-van Kleunen, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 2 juni 2016.
griffier voorzitter
Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.