Eiser was politieambtenaar en kreeg op 3 oktober 2013 een voorwaardelijk strafontslag opgelegd met een proeftijd van twee jaar. Verweerder besloot op 29 oktober 2014 tot onmiddellijke tenuitvoerlegging van dit strafontslag wegens vermeend ernstig plichtsverzuim: ongeoorloofde afwezigheid op 14 juli 2014 en het niet juist verantwoorden van die dienst in het BVCM-systeem.
Eiser voerde aan dat geen sprake was van ernstig plichtsverzuim omdat hij dacht niet op zijn reguliere werkplek te hoeven zijn en zijn lijnchef de registratie digitaal had goedgekeurd. De rechtbank oordeelde dat het handelen van eiser weliswaar plichtsverzuim was, maar niet ernstig. Bovendien was onduidelijk welke regels verweerder hanteert bij het eerder naar huis gaan na een training.
Daarom waren de voorwaarden voor tenuitvoerlegging niet vervuld en was verweerder niet bevoegd het strafontslag uit te voeren. De rechtbank verklaarde het beroep gegrond, vernietigde het bestreden besluit, herroept het primaire besluit en veroordeelde verweerder tot vergoeding van griffierecht en proceskosten.