Uitspraak
Rechtbank Rotterdam
1.De procedure
- de heer [naam 1] , verzoeker;
- de heer [naam 2] , werkzaam bij schuldhulpverlening gemeente Brielle (hierna: SHV);
2.Het verzoek
3.Het verweer
4.De beoordeling
5.De beslissing
van zes maanden;
Rechtbank Rotterdam
Verzoeker heeft een voorlopige voorziening ex artikel 287b Faillissementswet gevraagd om de ontruiming van zijn huurwoning door Stichting Vestia op te schorten. De rechtbank constateert een bedreigende situatie omdat een vonnis tot ontruiming en exploot zijn overgelegd.
Verzoeker heeft een fulltime baan en een betalingsregeling met de Belastingdienst getroffen. Het budgetbeheer is opgestart en de huurtermijnen van maart, april en mei 2016 zijn voldaan, waarbij de huur van april 2016 later werd betaald door de vader van verzoeker. Schuldsanering is nog niet opgestart en schuldeisers zijn nog niet benaderd.
Vestia voert aan dat huurverplichtingen niet tijdig zijn nagekomen en dat onvoldoende waarborgen bestaan voor betaling tijdens het moratorium. De rechtbank weegt het belang van verzoeker om in de woning te blijven en het schuldhulpverleningstraject te doorlopen zwaarder dan het belang van Vestia om het vonnis uit te voeren.
De voorlopige voorziening wordt onder voorwaarden toegewezen voor zes maanden, waarbij tijdige betaling van lopende termijnen vereist is. Het verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling wordt niet-ontvankelijk verklaard omdat het minnelijk traject nog niet is afgerond.
De huurovereenkomst wordt verlengd voor de duur van de voorziening en SHV moet uiterlijk twee weken voor afloop verslag uitbrengen.
Uitkomst: De rechtbank schort de ontruiming van de huurwoning op voor zes maanden onder de voorwaarde dat lopende termijnen tijdig worden voldaan.