ECLI:NL:RBROT:2016:4632

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
21 juni 2016
Publicatiedatum
20 juni 2016
Zaaknummer
ROT 15/5456
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Vereenvoudigde behandeling
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4:17 AwbArt. 4:19 AwbArt. 6:7 AwbArt. 6:12 AwbArt. 6:20 Awb
Verwijzingen
10 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid beroep wegens ontbreken rechtsgeldige ingebrekestelling bij niet tijdig beslissen

Eiser stelde beroep in tegen het niet tijdig beslissen op zijn bezwaar tegen een last onder bestuursdwang vanwege een spoedontruiming van zijn woning wegens brandgevaar. Verweerder verklaarde het bezwaar ongegrond en handhaafde het besluit. Eiser wenste geen inhoudelijk beroep tegen dat besluit, maar alleen uitspraak over een dwangsom en proceskosten.

De rechtbank oordeelde dat het beroep niet-ontvankelijk was omdat eiser geen rechtsgeldige ingebrekestelling had gestuurd, een vereiste volgens artikel 6:12 lid 2 Awb Pro. De ingebrekestellingen waren prematuur omdat de beslistermijn door opschorting en verdaging nog niet was overschreden.

Daarnaast betrof het beroep tegen het besluit geen dwangsom toe te kennen, waarin verweerder terecht oordeelde dat geen dwangsommen waren verbeurd. Dit beroep werd daarom ongegrond verklaard. De rechtbank wees een proceskostenveroordeling af omdat het initiële beroep om een andere reden niet-ontvankelijk was.

De uitspraak werd gedaan zonder zitting en in het openbaar op 21 juni 2016 door rechter J. Bergen.

Uitkomst: Het beroep wegens niet tijdig beslissen wordt niet-ontvankelijk verklaard en het beroep tegen het besluit geen dwangsom toe te kennen wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team Bestuursrecht 1
zaaknummer: ROT 15/5456
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 21 juni 2016 als bedoeld in artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht in de zaak tussen

[Naam], te Rotterdam, eiser,

gemachtigde: mr. H.F. A. Notenboom,
en

het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam, verweerder.

Procesverloop

Eiser heeft beroep ingesteld wegens het niet tijdig nemen van een beslissing op zijn bezwaar tegen het besluit van 26 januari 2015 (besluit 1) dat strekt tot oplegging van een last onder bestuursdwang aan eiser in verband met de plaatsgevonden spoedontruiming van eisers woning wegens brandgevaar.
Bij besluit van 1 oktober 2015 (besluit 2) heeft verweerder het bezwaar tegen besluit 1 ongegrond verklaard en dat besluit gehandhaafd.
Bij brief van 2 oktober 2015 heeft eiser de rechtbank bericht dat hij geen inhoudelijk beroep wenst in te stellen tegen besluit 2 en dat hij alleen uitspraak wenst ter zake van de door verweerder verschuldigde dwangsom en de vergoeding van proceskosten.
Bij besluit van 2 oktober 2015 (besluit 3) heeft verweerder besloten eiser geen dwangsom toe te kennen, omdat eiser hem vroegtijdig in gebreke heeft gesteld op het bezwaar te beslissen.

Overwegingen

1. De rechtbank doet op de voet van artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) uitspraak zonder zitting, omdat naar haar oordeel geen nader onderzoek nodig is.
2. De rechtbank stelt bij haar beoordeling voorop dat besluit 2 een besluit in de zin van artikel 6:20 van Pro de Awb vormt, maar dat eiser dit besluit niet wenst te bestrijden, en eiser alleen uitspraak wenst ter zake van de door verweerder verschuldigde dwangsom en de vergoeding van proceskosten.
3. Uit artikel 4:17, tweede lid, van de Awb volgt dat de eerste dag waarover de dwangsom wegens niet tijdig beslissen verschuldigd is, de dag is waarop twee weken zijn verstreken na de dag waarop de termijn voor het geven van de beschikking is verstreken en het bestuursorgaan van de aanvrager een schriftelijke ingebrekestelling heeft ontvangen.
In artikel 4:19, eerste lid, van de Awb is bepaald dat het bezwaar, beroep of hoger beroep tegen de beschikking op de aanvraag mede betrekking heeft op een beschikking tot vaststelling van de hoogte van de dwangsom, voor zover de belanghebbende deze beschikking betwist.
Uit artikel 6:12, tweede lid, van de Awb volgt dat een beroepschrift wegens niet tijdig beslissen kan worden ingediend zodra: (a) het bestuursorgaan in gebreke is tijdig een besluit te nemen of een van rechtswege verleende beschikking bekend te maken, en (b) twee weken zijn verstreken na de dag waarop belanghebbende het bestuursorgaan schriftelijk heeft medegedeeld dat het in gebreke is.
Artikel 7:10 van Pro de Awb luidt:
“1 Het bestuursorgaan beslist binnen zes weken of – indien een commissie als bedoeld in artikel 7:13 is Pro ingesteld – binnen twaalf weken, gerekend vanaf de dag na die waarop de termijn voor het indienen van het bezwaarschrift is verstreken.
2 De termijn wordt opgeschort gerekend vanaf de dag na die waarop de indiener is verzocht een verzuim als bedoeld in artikel 6:6 te Pro herstellen, tot de dag waarop het verzuim is hersteld of de daarvoor gestelde termijn ongebruikt is verstreken.
3 Het bestuursorgaan kan de beslissing voor ten hoogste zes weken verdagen.
4 Verder uitstel is mogelijk voor zover:
a. alle belanghebbenden daarmee instemmen,
b. de indiener van het bezwaarschrift daarmee instemt en andere belanghebbenden daardoor niet in hun belangen kunnen worden geschaad, of
c. dit nodig is in verband met de naleving van wettelijke procedurevoorschriften.
5 Indien toepassing is gegeven aan het tweede, derde of vierde lid, doet het bestuursorgaan hiervan schriftelijk mededeling aan belanghebbenden.”
4. Omdat besluit 1 blijkens de dagtekening daarvan is bekendgemaakt op 26 januari 2015 ving de termijn voor het nemen van een besluit op bezwaar, gelet op artikel 6:7 en Pro artikel 7:10, eerste lid, van de Awb, aan op 10 maart 2015. Omdat verweerder een adviescommissie heeft ingesteld diende verweerder behoudens opschorting of verdaging uiterlijk op 2 juni 2015 een beslissing op bezwaar te nemen. Gelet op verweerders brief van 6 februari 2015 is de beslistermijn van 12 weken opgeschort geweest in verband met een ontbrekende motivering van het bezwaar en is bij verweerders brief van 28 mei 2015 voorts de beslissing verdaagd. De eerdere opschorting nog daargelaten is de beslistermijn door de verdagingsbrief van 28 mei 2015 in elk geval niet overschreden voorafgaand aan 14 juli 2015. Gelet hierop zijn de ingebrekestellingen van 24 april, 15 juni en 9 juli 2015 prematuur.
5. Gelet op artikel 6:12, tweede lid, van de Awb is het beroep aldus ingesteld zonder dat een rechtsgeldige ingebrekestelling aan verweerder is gezonden. Het beroep is daarom kennelijk niet-ontvankelijk.
6. Omdat inmiddels ook besluit 3 is genomen en eiser het daarin vervatte oordeel dat verweerder geen dwangsom is verschuldigd betwist, zal de rechtbank die beslissing overeenkomstig artikel 4:19 van Pro de Awb mede betrekken in haar beoordeling. In dit verband stelt de rechtbank voorop dat de niet-ontvankelijkheid van het initiële beroep niet in de weg staat aan de beoordeling van dit hangende dat beroep genomen besluit (vgl. ABRvS 5 november 2014, ECLI:NL:RVS:2014:3999).
7. Omdat voor de toepassing van artikel 4:17 van Pro de Awb evenzeer geldt dat eerst een dwangsom kan zijn verschuldigd nadat een rechtsgeldige ingebrekestelling is uitgebracht, heeft verweerder met besluit 3 terecht geoordeeld dat hij geen dwangsommen heeft verbeurd. Het beroep tegen besluit 3 is dan ook kennelijk ongegrond.
8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat gelet op het voorgaande geen aanleiding. De rechtbank zal in dit verband voorbij gaan aan verweerders brief van 13 oktober 2015, waarin verweerder desgevraagd heeft aangegeven dat proceskosten in beroep zijn verschuldigd omdat niet tijdig is beslist op het bezwaar. De rechtbank gaat ervan uit dat verweerders standpunt is ingegeven door de brief van 7 oktober 2015 waarin de griffier verweerder ten onrechte heeft bericht dat het beroep is ingetrokken en dat eiser had verzocht om toepassing van artikel 8:75a van de Awb. Omdat het initiële beroep niet-ontvankelijk wordt verklaard om een andere reden dan het ontbreken van procesbelang wegens tegemoetkoming aan het beroep, doen zich geen gronden voor tot (analoge) toepassing van artikel 8:75a van de Awb.

Beslissing

De rechtbank:
verklaart het beroep wegens niet tijdig beslissen niet-ontvankelijk en
verklaart het beroep tegen besluit 3 ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J. Bergen, rechter, in aanwezigheid van mr. dr. R. Stijnen, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 21 juni 2016.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan verzet worden gedaan bij de rechtbank. De indiener van het verzetschrift kan daarbij vragen in de gelegenheid te worden gesteld over het verzet te worden gehoord.