ECLI:NL:RBROT:2016:6043
Rechtbank Rotterdam
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Boeteoplegging wegens niet-afsluitbare rookruimte in horecagelegenheid
De vennootschap exploiteert een horecagelegenheid waar op 9 april 2015 een controle plaatsvond door de NVWA. Tijdens deze controle werd vastgesteld dat de klapdeur van de rookruimte niet goed sloot en dat er in de rookruimte werd gerookt. Tevens werd in de kleine hal, die in verbinding stond met de rookruimte en de ingang van het café, een penetrante tabaksgeur waargenomen. De minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport legde daarop een bestuurlijke boete van €1.200,- op wegens overtreding van artikel 10, eerste lid, aanhef en onder e, van de Tabakswet.
De vennootschap voerde aan dat er een tweede toegangsdeur was waardoor klanten het bargedeelte konden betreden zonder door de rookruimte te gaan, en dat de deur van de rookruimte door klanten was geforceerd. De rechtbank oordeelde dat de rookruimte daadwerkelijk afsluitbaar moet zijn om de uitzondering op het rookverbod van toepassing te laten zijn. Omdat de deur niet goed sloot en er werd gerookt, was niet voldaan aan deze voorwaarde. Het ontbreken van toezicht en het feit dat de deur mogelijk was geforceerd, vormden geen overmacht.
Ook het beroep op rechtsongelijkheid werd verworpen omdat de vennootschap geen concrete voorbeelden of namen van andere horecagelegenheden had genoemd. De rechtbank concludeerde dat de boete terecht was opgelegd en wees het beroep en het verzoek om schadevergoeding af. De uitspraak werd gedaan op 11 augustus 2016 door de rechtbank Rotterdam.
Uitkomst: Het beroep tegen de boete wegens overtreding van het rookverbod wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.