De zaak betreft een verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst van een conciërge bij een onderwijsvereniging wegens disfunctioneren. De werkgever stelt dat de werknemer vanaf het begin van het dienstverband onvoldoende functioneerde, ondanks intensieve begeleiding en meerdere gesprekken. De werknemer is sinds november 2015 arbeidsongeschikt, maar dit staat volgens de kantonrechter niet in de weg aan ontbinding omdat het verzoek geen verband houdt met de ziekte.
De kantonrechter stelt vast dat de werkgever tijdig en voldoende heeft geïnformeerd over het disfunctioneren en de werknemer de gelegenheid heeft gegeven zich te verbeteren. Er is geen sprake van onvoldoende scholing of slechte arbeidsomstandigheden. Ook is herplaatsing niet mogelijk. De kantonrechter oordeelt dat het disfunctioneren een redelijke grond vormt voor ontbinding.
De arbeidsovereenkomst wordt ontbonden per 1 oktober 2016, rekening houdend met de opzegtermijn. De transitievergoeding van €4.955,05 wordt toegekend, inclusief wettelijke rente. Een billijke vergoeding wordt afgewezen omdat er geen ernstig verwijtbaar handelen van de werkgever is vastgesteld. De proceskosten worden gecompenseerd.