De burgemeester van de gemeente Hellevoetsluis besloot twee horeca-inrichtingen van eiser voor veertien dagen te sluiten vanwege een geweldsincident waarbij een portier geweld gebruikte tegen een bezoeker. Eiser maakte bezwaar tegen deze besluiten en stelde dat de maatregelen buitenproportioneel waren en dat de sluiting van de tweede inrichting onterecht was.
De rechtbank oordeelde dat het geweldsincident valt onder categorie 1 van het Handhavingsprotocol en dat de burgemeester bevoegd was tot sluiting van de eerste inrichting. De sluiting van veertien dagen werd niet als kennelijk onredelijk beschouwd, mede gezien de betrokkenheid van eiser en de ernst van het incident. De rechtbank wees de stelling van eiser dat het incident onder categorie 2 viel af.
Echter, de rechtbank stelde vast dat de burgemeester niet bevoegd was om de tweede horeca-inrichting te sluiten, omdat deze als een afzonderlijke inrichting met een eigen ingang wordt beschouwd en pas na het incident werd geopend. De sluiting van deze tweede inrichting werd daarom vernietigd en het primaire besluit herroepen voor zover het deze inrichting betreft.
De rechtbank concludeerde dat de maatregelen gericht zijn op het herstel van de openbare orde en niet als bestraffend moeten worden gezien. De procedure en belangenafweging door de burgemeester werden als zorgvuldig beoordeeld. Het beroep van eiser werd gegrond verklaard voor de tweede inrichting, en het betaalde griffierecht werd aan eiser vergoed.