ECLI:NL:RBROT:2016:7911

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
18 oktober 2016
Publicatiedatum
17 oktober 2016
Zaaknummer
ROT 16/1128
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Aangehouden
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 54 PwArt. 7:12 AwbArt. 8:51a AwbArt. 8:51b AwbArt. 8:80a Awb
Verwijzingen
9 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Tussenuitspraak over gebrekkige motivering intrekking bijstandsuitkering

Eiser ontvangt sinds 2010 een bijstandsuitkering. De gemeente Rotterdam heeft deze uitkering ingetrokken per 22 juni 2015 wegens het niet opvolgen van een oproep voor een rechtmatigheidsonderzoek. Eiser verscheen niet op de afspraak en reageerde niet tijdig op de opschortingsbrief, waarna de uitkering werd beëindigd. Eiser maakte bezwaar en stelde beroep in tegen het besluit.

De rechtbank beoordeelt of de intrekking rechtmatig is op grond van artikel 54 van Pro de Participatiewet. De gemeente baseert zich op het niet reageren op een brief van 15 juni 2015 en het opschortingsbesluit van 22 juni 2015. De rechtbank oordeelt dat de brief van 15 juni 2015 geen herstelverzuimmogelijkheid bood en dat eiser het voordeel van de twijfel kreeg voor het niet reageren binnen de hersteltermijn van het opschortingsbesluit.

Het bestreden besluit ontbreekt een deugdelijke motivering waarom eiser toch een verwijt kan worden gemaakt. Daarom is het besluit in strijd met artikel 7:12 Awb Pro. De rechtbank stelt de gemeente in de gelegenheid het gebrek binnen vier weken te herstellen en houdt verdere beslissing aan tot de einduitspraak.

Uitkomst: De rechtbank houdt de beslissing aan en geeft de gemeente Rotterdam vier weken om het gebrek in het besluit te herstellen.

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team Bestuursrecht 1
zaaknummer: ROT 16/1128
tussenuitspraak van de meervoudige kamer als bedoeld in artikel 8:80a van de Algemene wet bestuursrecht van 18 oktober 2016 in de zaak tussen
[eiser], te Rotterdam, eiser,
gemachtigde: mr. G. Özveren,
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Rotterdam, verweerder,
gemachtigde: mr. I.M. van der Heijden en mr. R. Duivenvoorde.

Procesverloop

Bij besluit van 20 juli 2015 heeft verweerder de uitkering van eiser op grond van de Participatiewet (Pw) met ingang van 22 juni 2015 ingetrokken.
Eiser heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt. Eiser heeft ook de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen. Bij uitspraak van 12 november 2015 (ROT 15/6079), heeft de voorzieningenrechter het verzoek afgewezen vanwege het ontbreken van een spoedeisend belang bij de gevraagde voorziening.
Bij besluit van 26 januari 2016 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 september 2016. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden.

Overwegingen

1. Eiser heeft met ingang van 2 februari 2010 een bijstandsuitkering ontvangen.
1.1.
Bij brief van 15 juni 2015 heeft verweerder eiser uitgenodigd voor een rechtmatigheidsonderzoek op 22 juni 2015. Eiser is zonder berichtgeving niet op de afspraak verschenen.
1.2.
Bij besluit van 22 juni 2015 (opschortingsbesluit) heeft verweerder de bijstandsuitkering van eiser met ingang van 22 juni 2015 opgeschort omdat eiser op die datum niet is verschenen. Eiser is in de gelegenheid gesteld binnen tien dagen telefonisch contact op te nemen met verweerder. Verweerder heeft daarbij gemeld dat als eiser hieraan onvoldoende gevolg geeft de bijstand zal worden beëindigd.
Boven de brief van 15 juni 2015 en het besluit van 22 juni 2015 is vermeld “Aangetekend”.
Verweerder heeft de brief op 29 juni 2015 en het besluit op 7 juli 2015 retour ontvangen.
1.3.
Op 3 juli 2015 heeft eiser telefonisch contact met verweerder opgenomen. In verweerders rapportage van 24 juli 2015 is aangegeven dat aan eiser vanwege diens persoonlijke omstandigheden het voordeel van de twijfel wordt gegeven ten aanzien van het niet reageren binnen de in het opschortingsbesluit gegeven hersteltermijn. Met eiser is afgesproken dat hij wordt uitgenodigd voor een gesprek op 10 juli 2015. Bij brief van 3 juli 2015 heeft verweerder eiser uitgenodigd voor een gesprek op 10 juli 2015. Eiser is daar zonder bericht van verhindering niet verschenen.
2. Eiser heeft tegen het opschortingsbesluit geen rechtsmiddel aangewend, ook niet nadat hij er kennis van had genomen. Daarom ligt nu ligt ter beoordeling voor of het door verweerder gehandhaafde besluit tot intrekking van de bijstand met ingang van 22 juni 2015 in rechte stand kan houden.
3.1.
Artikel 54, eerste lid, van de Pw bepaalt dat, indien de belanghebbende de voor de verlening van bijstand van belang zijnde gegevens of de gevorderde bewijsstukken niet, niet tijdig of onvolledig heeft verstrekt en hem dit te verwijten valt, dan wel indien de belanghebbende anderszins onvoldoende medewerking verleent, het college het recht op bijstand voor de duur van ten hoogste acht weken kan opschorten:
a. vanaf de eerste dag van de periode waarop het verzuim betrekking heeft, of
b. vanaf de dag van het verzuim indien niet kan worden bepaald op welke periode dit verzuim betrekking heeft.
Ingevolge artikel 54, tweede lid, van de Pw doet het college mededeling van de opschorting aan de belanghebbende en nodigt hem uit binnen een door hen te stellen termijn het verzuim te herstellen.
Artikel 54, vierde lid, van de Pw bepaalt dat, als de belanghebbende in het geval bedoeld in het eerste lid het verzuim niet herstelt binnen de daarvoor gestelde termijn, het college na het verstrijken van deze termijn het besluit tot toekenning van bijstand kan intrekken met ingang van de eerste dag waarover het recht op bijstand is opgeschort.
3.2.
In het besluit wordt als wettelijke grondslag artikel 54, vierde lid, van de Pw genoemd. Als feitelijke grondslag verwijst het besluit naar het niet reageren van eiser op de brief van 15 juni 2015 en op het opschortingsbesluit. In het besluit wordt geconcludeerd dat eiser zijn verzuim niet tijdig heeft hersteld. Mede gelet op de bewoordingen en de context van het bestreden besluit - vergelijk de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (de Raad) van 8 december 2015 (ECLI:NL:CRVB:2015:4411) - gaat de rechtbank ervan uit dat verweerder met het bestreden besluit toepassing heeft gegeven artikel 54, vierde lid, van de Pw.
4.1.
Uit vaste rechtspraak van de Raad, bijvoorbeeld de uitspraak van 6 september 2007 (ECLI:NL:CRVB:2007:BB3024), volgt dat bij de beantwoording van de vraag of verweerder op grond van artikel 54, vierde lid, van de Pw bevoegd was tot intrekking van het besluit tot toekenning van bijstand, ter beoordeling staat of de betrokkene verzuimd heeft binnen de daartoe gestelde termijn de bij het opschortingsbesluit gevraagde gegevens of gevorderde bewijsstukken te verstrekken. Indien dat het geval is, dient vervolgens te worden nagegaan of de betrokkene hiervan een verwijt kan worden gemaakt. Die verwijtbaarheid kan ontbreken indien het gaat om gegevens of gevorderde bewijsstukken die niet (meer) van belang zijn voor de verlening van bijstand of om gegevens waarover de belanghebbende niet binnen de gestelde hersteltermijn redelijkerwijs heeft kunnen beschikken.
4.2.
De feitelijke grondslag van het bestreden besluit betreft het geen gevolg geven aan de brief van 15 juni 2015 en aan het opschortingsbesluit van 22 juni 2015. In verweerders rapportage van 24 juli 2015 is vermeld dat met eiser een vervolgafspraak wordt gepland op 10 juli 2015. Deze afspraak is bevestigd in een brief van 3 juli 2015. Verweerder heeft het niet reageren op deze brief niet aan de intrekking ten grondslag gelegd. Gelet op het in 4.1 geschetste toetsingskader komt aan de vraag of eiser al dan niet een verwijt kan worden gemaakt van het geen gevolg geven aan de brief van 15 juni 2015 geen betekenis toe, omdat dit niet een herstelverzuimmogelijkheid is die aan eiser bij het opschortingsbesluit is gegeven. Ten aanzien van het geen gevolg geven door eiser aan de in het opschortingsbesluit gegeven hersteltermijn is hem blijkens de rapportage van 24 juli 2015 het voordeel van de twijfel gegeven. Om deze reden is de brief van 3 juli 2015 opgesteld. In het bestreden besluit ontbreekt de motivering waarom aan eiser niettemin een verwijt zou kunnen worden gemaakt.
5.1.
Het bestreden besluit ontbeert hiermee een deugdelijke grondslag. Het bestreden besluit is dan ook in strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Op grond van artikel 8:51a, eerste lid, van de Awb kan de rechtbank het bestuursorgaan in de gelegenheid stellen een gebrek in het bestreden besluit te (laten) herstellen. Op grond van artikel 8:80a van de Awb doet de rechtbank dan een tussenuitspraak. De rechtbank ziet aanleiding om verweerder in de gelegenheid te stellen het gebrek te herstellen. Dat herstellen kan hetzij met een aanvullende motivering, hetzij, voor zover nodig, met een nieuwe beslissing op bezwaar. De rechtbank bepaalt de termijn waarbinnen verweerder het gebrek kan herstellen op vier weken na verzending van deze tussenuitspraak.
5.2.
Als verweerder geen gebruik maakt van de gelegenheid het gebrek te herstellen, moet hij dat op grond van artikel 8:51b, eerste lid, van de Awb en om nodeloze vertraging te voorkomen zo spoedig mogelijk meedelen aan de rechtbank. Als verweerder wel gebruik maakt van die gelegenheid, zal de rechtbank eiser in de gelegenheid stellen binnen vier weken te reageren op de herstelpoging van verweerder. In beide gevallen en in de situatie dat verweerder de hersteltermijn ongebruikt laat verstrijken, zal de rechtbank in beginsel zonder tweede zitting uitspraak doen op het beroep.
5.3.
De rechtbank houdt iedere verdere beslissing aan tot de einduitspraak op het beroep. Dat laatste betekent ook dat zij over de proceskosten en het griffierecht nu nog geen beslissing neemt.

Beslissing

De rechtbank:
  • stelt verweerder in de gelegenheid om binnen vier weken na verzending van deze tussenuitspraak het gebrek te herstellen met inachtneming van de overwegingen en aanwijzingen in deze tussenuitspraak,
  • houdt iedere verdere beslissing aan.
Deze uitspraak is gedaan door mr. C.A. Schreuder, voorzitter, en mr. H. Bedee en
mr. M. Munsterman, leden, in aanwezigheid van mr. J.J. van Giezen-Groenewoud, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 18 oktober 2016.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze tussenuitspraak staat nog geen hoger beroep open. Tegen deze tussenuitspraak kan hoger beroep worden ingesteld tegelijkertijd met hoger beroep tegen de (eventuele) einduitspraak in deze zaak.