ECLI:NL:RBROT:2016:9954

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
23 december 2016
Publicatiedatum
22 december 2016
Zaaknummer
ROT 15/3787
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 116 Burgerlijk ambtenarenreglement defensieWet verhoging AOW- en pensioenrichtleeftijdWet van 4 juni 2015 tot wijziging van onder meer de Algemene OuderdomswetArtikel 17 Wachtgeldbesluit burgerlijke ambtenaren defensieAlgemene Ouderdomswet (AOW)
Verwijzingen
6 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verboden leeftijdsdiscriminatie door beëindiging wachtgeld bij 65 jaar met AOW-tegemoetkoming

Eiseres, een voormalig ambtenaar van het ministerie van Defensie, kreeg na ontslag een wachtgelduitkering toegekend tot de maand volgend op haar 65e verjaardag. Door de verhoging van de AOW-leeftijd ontstaat een inkomensgat (AOW-gat) omdat de AOW-uitkering pas later ingaat. Verweerder beëindigde het wachtgeld bij 65 jaar, maar kende een maandelijkse tegemoetkoming toe ter compensatie van het inkomensverlies.

Eiseres stelde dat deze regeling een verboden leeftijdsdiscriminatie inhoudt omdat het wachtgeld niet doorloopt tot de nieuwe AOW-leeftijd. De rechtbank volgde eiseres en verwees naar een eerdere uitspraak van de Centrale Raad van Beroep, waarin werd geoordeeld dat het beëindigen van het wachtgeld bij 65 jaar met gelijktijdige toekenning van een tegemoetkoming een verboden onderscheid naar leeftijd vormt.

De rechtbank vernietigde het bestreden besluit en gaf verweerder de opdracht om een nieuw besluit te nemen dat het leeftijdsdiscriminatieverbod respecteert. Tevens werd verweerder opgedragen het betaalde griffierecht aan eiseres te vergoeden. De rechtbank zag geen aanleiding zelf in de zaak te voorzien vanwege de beleidsvrijheid van verweerder.

Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard en het bestreden besluit vernietigd wegens verboden onderscheid naar leeftijd.

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team Bestuursrecht 2
zaaknummer: ROT 15/3787

uitspraak van de meervoudige kamer van 23 december 2016 in de zaak tussen

[eiseres]

gemachtigde: mr. A.J.T. Korthout
en

de minister van Defensie, verweerder,

gemachtigde: mr. M. Kalvenhaar.

Procesverloop

Bij besluit van 3 april 2015 (toekenningsbesluit) heeft verweerder aan eiseres aansluitend aan haar ontslag wachtgeld op grond van het Wachtgeldbesluit burgerlijke ambtenaren defensie (Wbad) toegekend tot de eerste dag van de maand volgende op die waarin zij de leeftijd van 65 jaar heeft bereikt.
Bij besluit van 22 mei 2015 (bestreden besluit) heeft verweerder het hiertegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 oktober 2016.
Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde.
Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiseres was als burgerambtenaar werkzaam bij verweerder. Aan haar is ontslag verleend met toepassing van artikel 116, eerste lid, van het Burgerlijk ambtenarenreglement defensie en het Sociaal Beleidskader Defensie 2004.
2. Op grond van de Wet verhoging AOW- en pensioenrichtleeftijd en de Wet van 4 juni 2015 tot wijziging van onder meer die wet en de Algemene Ouderdomswet in verband met de versnelling van de stapsgewijze verhoging van de AOW-leeftijd (Stb. 2015, 218) wordt de pensioengerechtigde leeftijd zoals bedoeld in de Algemene Ouderdomswet (AOW-leeftijd) vanaf 2013 in stappen verhoogd tot 67 jaar in 2021. Vanaf 2022 wordt de AOW-leeftijd gekoppeld aan de levensverwachting. Dit heeft onder andere tot gevolg dat eiseres niet vanaf 65-jarige leeftijd recht heeft op een AOW-uitkering, maar pas vanaf de voor haar geldende verhoogde AOW-leeftijd. Sinds 1 januari 2015 kent het Algemeen Burgerlijk Pensioenfonds het ouderdomspensioen vanaf deze verhoogde AOW-leeftijd toe. Omdat het wachtgeld niet doorloopt na het bereiken van de leeftijd van 65 jaar ontstaat er een zogenoemd AOW-gat.
3. Op 1 oktober 2015 is de ‘Voorlopige voorziening tegemoetkoming inkomensderving als gevolg van ophoging AOW-leeftijd’, Stcrt. 28 september 2015, nr. 31772 (Voorlopige voorziening), in werking getreden. De Voorlopige voorziening vormt de vastlegging van tussen de minister en vakbonden gemaakte afspraken. In artikel 2 van Pro de Voorlopige voorziening is bepaald dat een gewezen defensieambtenaar die de leeftijd van 65 jaar bereikt waardoor zijn uitkering eindigt, tot het bereiken van de voor hem geldende AOW-leeftijd aanspraak heeft op een maandelijkse tegemoetkoming, die gelijk is aan de bruto AOW-uitkering (inclusief vakantiegeld), die voor hem volgens de AOW in de desbetreffende maand gegolden zou hebben indien daarop aanspraak zou hebben bestaan (tegemoetkoming). In de toelichting op de Voorlopige voorziening is vermeld dat deze regeling een voorlopig karakter heeft, omdat zij op 1 oktober 2015 moet ingaan. De definitieve regeling zal tot stand komen in het kader van een volledig arbeidsvoorwaardenakkoord.
4. Op grond van artikel 17, eerste lid, aanhef en onder a, van het Wbad eindigt het recht op wachtgeld met ingang van de eerste dag van de kalendermaand volgende op die waarin de betrokkene de leeftijd van 65 jaar heeft bereikt.
5. Verweerder stelt zich op het standpunt dat de beëindiging van het wachtgeld op grond van artikel 17 van Pro het Wbad bij het bereiken van de 65-jarige leeftijd, onder gelijktijdige toekenning van de tegemoetkoming en gegeven de mogelijkheid het door het ABP toe te kennen ouderdomspensioen vervroegd te laten ingaan bij het bereiken van die leeftijd, geen verboden onderscheid naar leeftijd oplevert.
6. Eiseres betwist dit en is van mening dat verweerder de duur van de aan haar toegekende (verlengde) wachtgelduitkering dient aan te passen zodat deze aansluit op de leeftijd waarop zij het recht op een AOW-uitkering en ABP-pensioen verkrijgt.
7. De rechtbank onderschrijft het standpunt van verweerder niet. Zij verwijst naar de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 18 juli 2016 (ECLI:NL:CRVB:2016:2614). Uit hetgeen in die uitspraak is overwogen, met name in rechtsoverwegingen 6.6 tot en met 6.12, volgt dat het door verweerder ingenomen standpunt rechtens niet houdbaar is en het bestreden besluit niet in stand kan blijven.
8. Het beroep is derhalve gegrond en het bestreden besluit dient te worden vernietigd. Hetgeen eiseres overigens heeft aangevoerd kan onbesproken blijven.
9. De rechtbank ziet, in navolging van hetgeen in evengenoemde uitspraak in rechtsoverweging 6.3.1 is overwogen, geen aanleiding om zelf in de zaak te voorzien, aangezien verweerder wegens de aard van de materie een zekere mate van vrijheid heeft in de totstandbrenging van nieuwe besluitvorming. Hoewel evident is dat het gebrek, het verboden onderscheid naar leeftijd, zou worden hersteld met de beslissing om het wachtgeld van eiseres te beëindigen bij het bereiken van de AOW-leeftijd, tenzij de duur van het wachtgeld al eerder verstrijkt, is het aan verweerder om het gebrek op een rechtens houdbare wijze te herstellen. De rechtbank zal verweerder opdragen om opnieuw op het bezwaar van eiseres te beslissen met inachtneming van deze uitspraak.
10. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eiseres het door haar betaalde griffierecht vergoedt.
11. Van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen is niet gebleken.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep gegrond;
  • vernietigt het bestreden besluit;
  • bepaalt dat verweerder een nieuw besluit neemt met inachtneming van deze uitspraak;
  • bepaalt dat verweerder aan eiseres het door haar betaalde griffierecht van € 45,- vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door mr. I.M. Ludwig, voorzitter, en mr. M. Munsterman en
mr. R.H.L. Dallinga, leden, in aanwezigheid van mr. E. Naaijen-van Kleunen, griffier.
De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 23 december 2016.
griffier voorzitter
Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.