Uitspraak
RECHTBANK ROTTERDAM
1.De procedure
- het tussenvonnis van 13 april 2016, alsmede de daaraan ten grondslag liggende stukken;
- de brief van 20 april 2016, waarbij verlof voor tussentijds appel is verzocht;
- de beslissing van de rechtbank d.d. 11 mei 2016 waarbij dat verzoek is afgewezen;
- de akte in conventie en in reconventie d.d. 11 mei 2016 van EnecoLoN;
- de antwoordakte in conventie en in reconventie van Isoplus GmbH c.s..
2.De verdere beoordeling
in conventie en in reconventie
(mocht uw rechtbank van oordeel zijn (en blijven) dat de gefixeerde schadevergoeding is verschuldigd per vertraagd itemtype dan geldt dat tussen partijen in confesso is dat na de terme de grace, te weten na 15 augustus 2013, tenminste 60 stuks van itemtype A.2.1, 10 stuks van itemtype B2.1, 40 stuks van itemtype C2.1 en 111 stuks van itemtype D.2.1, ergo in totaal 4 itemtypes te laat zijn geleverd. De vergoeding is verschuldigd per 1 augustus 2013.) maakt de rechtbank op dat EnecoLoN in elk geval meent dat vanaf 1 augustus 2013 4 itemtypes vertraagd zijn geleverd. Voorts stelt EnecoLoN dat Isoplus GmbH c.s. die vertraging in het hele proces niet meer goedgemaakt heeft. Eind mei 2014 zijn de laatste itemtypes (A1.1, A1.2 en A1.3) geleverd. Voor het overige stelt EnecoLoN dat niet alleen voor de in de brief van 16 september 2013 genoemde niet geleverde itemtypes, maar voor alle itemtypes in sectie X waarvan de levertijd is overschreden geldt dat de gefixeerde schadevergoeding verschuldigd is. Zij stelt (onder 30) dat zij de
production overviewsheeft geanalyseerd en dat daaruit blijkt dat vele andere itemtypes ook niet tijdig geleverd zijn, zodat een hogere schadevergoeding verschuldigd is. Zij becijfert die op € 2.078.672 voor de types A2.1, B2.1, C 2.1 en D 2.1 en op € 5.574.019 voor “resterende itemtypes”. Voor een verdere toelichting verwijst EnecoLoN naar een excelbestand dat zij bij die akte overlegt en genoemde
production overviews.