De rechtbank Rotterdam behandelde de zaak tegen verdachte die werd verdacht van bezit van grote hoeveelheden drugs, een pistoolmitrailleur, een pistool met munitie en een geldbedrag dat mogelijk uit misdrijf afkomstig was. Na uitgebreid onderzoek en meerdere zittingen oordeelde de rechtbank dat onvoldoende bewijs bestond voor beschikkingsmacht van de verdachte over de drugs en de pistoolmitrailleur, waardoor hij daarvan werd vrijgesproken.
Wel werd bewezen verklaard dat de verdachte een pistool met bijbehorende munitie voorhanden had gehad in een woning waar hij aanwezig was. De aanwezigheid van DNA-materiaal op het pistool en patroonmagazijn ondersteunde dit oordeel. De rechtbank vond de verklaring van de verdachte hierover ongeloofwaardig.
De verdachte werd vrijgesproken van witwassen omdat het geldbedrag dat werd aangetroffen uit eigen misdrijf afkomstig was en er geen verhullingshandelingen waren verricht. Desondanks werd het geldbedrag verbeurd verklaard. De rechtbank legde een gevangenisstraf van zes maanden op, rekening houdend met de ernst van het feit en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte.