Eiseres betwist de door verweerder vastgestelde WOZ-waarde van een bedrijfspand voor het belastingjaar 2016, die is vastgesteld op €304.000,-. Zij stelt dat de waarde slechts €135.000,- bedraagt. De onroerende zaak betreft een pand van 300 m², waarvan de bouw in 2014 begon en in 2015 werd opgeleverd. De aankoop vond plaats op 16 mei 2014 voor €502.150,-.
De rechtbank overweegt dat op grond van artikel 17, tweede lid, van de Wet WOZ de waarde wordt bepaald op de prijs die een meest biedende koper zou betalen. Volgens vaste jurisprudentie wordt bij een recente aankoop rond de waardepeildatum aangenomen dat de betaalde prijs de WOZ-waarde weerspiegelt, tenzij feiten of omstandigheden het tegendeel aannemelijk maken. Dit geldt ook voor een koop-aanneemsom.
Eiseres slaagt er niet in aannemelijk te maken dat de betaalde prijs niet de waarde in het economisch verkeer weergeeft. Haar stelling dat er geen vrije marktwerking was en dat de prijs inclusief BTW was, is onvoldoende. Ook de datum van totstandkoming van de koop-aanneemsom ligt niet te ver van de waardepeildatum. De rechtbank acht het niet aannemelijk dat de waarde tussen de aankoopdatum en de waardepeildatum zodanig is gedaald dat de vastgestelde WOZ-waarde te hoog is.
Het taxatierapport en de door eiseres aangevoerde punten behoeven geen bespreking. Het beroep wordt ongegrond verklaard en er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.