ECLI:NL:RBROT:2017:4505

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
14 juni 2017
Publicatiedatum
12 juni 2017
Zaaknummer
ROT 16/4270
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:24 AwbArt. 6:5 AwbArt. 6:6 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling niet-ontvankelijkheid bezwaar naheffingsaanslag parkeerbelasting wegens ontbreken machtiging

Verweerder legde eiseres op 13 november 2015 een naheffingsaanslag parkeerbelasting op. Eiseres maakte bezwaar, maar dit bezwaar werd niet-ontvankelijk verklaard omdat geen schriftelijke machtiging van eiseres was overgelegd door haar gemachtigde. Eiseres stelde de ontvangst van de verzonden brieven aan de gemachtigde te betwisten.

De rechtbank oordeelde dat verweerder met behulp van het registratiesysteem ODAS aannemelijk had gemaakt dat de brieven van 11 februari 2016 en 29 maart 2016 correct waren verzonden naar het juiste adres van de gemachtigde. Het bestuursorgaan voldeed daarmee aan de bewijsverplichting omtrent verzending en ontvangstvermoeden.

De gemachtigde had onvoldoende aannemelijk gemaakt dat de ontvangst van de brieven redelijkerwijs betwijfeld kon worden. De rechtbank concludeerde dat het bezwaar terecht niet-ontvankelijk was verklaard wegens het ontbreken van de vereiste machtiging. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en een proceskostenveroordeling werd niet opgelegd.

Uitkomst: Het beroep tegen de niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaar is ongegrond verklaard omdat de machtiging niet is overgelegd en de verzending van de brieven aannemelijk is gemaakt.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Team Bestuursrecht 2
zaaknummer: ROT 16/4270

uitspraak van de meervoudige kamer van 14 juni 2017 in de zaak tussen

[eiseres],

gemachtigde: [gemachtigde]),
en

de directeur gemeentebelastingen Rotterdam, verweerder.

Procesverloop

Verweerder heeft eiseres op 13 november 2015 een naheffingsaanslag in de parkeerbelastingen opgelegd. De naheffingsaanslag beloopt in totaal € 60,67, bestaande uit € 1,67 aan verschuldigde parkeerbelasting en € 59,- aan kosten naheffing.
Bij uitspraak op bezwaar van 18 mei 2016 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres tegen de naheffingsaanslag niet-ontvankelijk verklaard.
Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Het onderzoek ter zitting van de enkelvoudige kamer heeft plaatsgevonden op
22 december 2016. Eiseres was niet ter zitting aanwezig. Verweerder is verschenen bij gemachtigde mr. E. Thomas.
Bij beslissing van 6 januari 2017 heeft de rechtbank het onderzoek in de zaak heropend.
Het onderzoek ter zitting van de enkelvoudige kamer heeft plaatsgevonden op
20 februari 2017. Eiseres was niet ter zitting aanwezig. Verweerder is verschenen bij gemachtigde mr. E. Thomas.
Bij beslissing van 27 februari 2017 heeft de rechtbank het onderzoek in de zaak heropend en de zaak doorverwezen naar de meervoudige kamer van de rechtbank.
Het onderzoek ter zitting van de meervoudige kamer heeft plaatsgevonden op 25 april 2017. Eiseres was niet ter zitting aanwezig. Verweerder is verschenen bij gemachtigde
mr. S. van der Vlegel, vergezeld door P. van Leerdam.

Overwegingen

1. Bij brief van 11 februari 2016, gericht aan [gemachtigde], [adres], heeft verweerder hem verzocht binnen 14 dagen, voor zover van belang, een schriftelijke machtiging van eiseres over te leggen. Bij brief van 29 maart 2016, ook gericht aan [gemachtigde], [adres], heeft verweerder hem nogmaals verzocht binnen vijf dagen, voor zover van belang, een schriftelijke machtiging over te leggen.
2. Bij het bestreden besluit heeft verweerder bij gebreke van een reactie het bezwaar van eiseres tegen de naheffingsaanslag niet-ontvankelijk verklaard.
3. Ter beoordeling staat de vraag of verweerder het bezwaar van eiseres terecht
niet-ontvankelijk heeft verklaard. Eiseres bestrijdt de ontvangst van de brieven van
11 februari 2016 en 29 maart 2016.
3.1.
Op grond van artikel 8:24, eerste lid, van de Awb kunnen partijen zich laten bijstaan of door een gemachtigde laten vertegenwoordigen. Het tweede lid van dit artikel bepaalt dat de rechtbank van de gemachtigde een schriftelijke machtiging kan verlangen.
Op grond van artikel 6:6 van Pro de Awb kan het beroep niet-ontvankelijk worden verklaard indien niet is voldaan aan artikel 6:5 of Pro enig ander bij de wet gesteld vereiste voor het in behandeling nemen van het beroep, mits de indiener de gelegenheid heeft gehad het verzuim te herstellen binnen een hem daartoe gestelde termijn.
3.1.1.
Indien de geadresseerde stelt dat hij een niet-aangetekend verzonden besluit niet heeft ontvangen, is het volgens vaste rechtspraak van onder meer de Centrale Raad van Beroep bijvoorbeeld de uitspraak van 1 april 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:1070), in beginsel aan het bestuursorgaan om aannemelijk te maken dat een besluit wel op het adres van de geadresseerde is ontvangen. De omstandigheid dat per post verzonden stukken in de regel op het daarop vermelde adres van de geadresseerde worden bezorgd, rechtvaardigt evenwel het vermoeden van ontvangst van het besluit op dat adres. Dit brengt mee dat het bestuursorgaan in eerste instantie kan volstaan met het aannemelijk maken van verzending naar het juiste adres. Daartoe is in ieder geval vereist dat het besluit is voorzien van de juiste adressering en een verzenddatum en dat sprake is van een deugdelijke verzendadministratie. Voorts dient niet gebleken te zijn van recente problemen bij de verzending van poststukken. Indien het bestuursorgaan de verzending van het besluit aannemelijk heeft gemaakt, ligt het vervolgens op de weg van de geadresseerde voornoemd vermoeden van ontvangst te ontzenuwen. Hiertoe is volgens vaste rechtspraak niet vereist dat de geadresseerde aannemelijk maakt dat het besluit niet op zijn adres is ontvangen; voldoende is dat op grond van hetgeen hij aanvoert de ontvangst redelijkerwijs kan worden betwijfeld.
De rechtbank acht deze rechtspraak van overeenkomstige toepassing als het, zoals hier, gaat om de ontvangst en verzending van brieven van een bestuursorgaan.
3.2.
Verweerder heeft de brieven van 11 februari en 29 maart 2016 verzonden naar het adres [adres]. Niet in geschil is dat [gemachtigde] ten tijde van het nemen van het primaire besluit op dit adres woonde en/of daar kantoor had. De rechtbank stelt vast dat [gemachtigde] op 16 december 2015 digitaal bezwaar heeft gemaakt. Onder zijn naam staat het adres: [adres]. Daarbij heeft [gemachtigde] het bezwaarschrift zelf gevoegd. Onder zijn naam en ondertekening staat: [postbus]. [gemachtigde] heeft niet vermeld dat correspondentie uitsluitend aan het postbusnummer dient te worden gericht. Het stond verweerder daarom vrij de brieven van 11 februari 2016 en 29 maart 2016 te verzenden naar het adres [adres].
3.3.
De rechtbank stelt vast dat uit de door verweerder overgelegde screenprints van het registratiesysteem ODAS blijkt dat op 11 februari 2016 en 29 maart 2016 een document met als omschrijving “verzoek informatie” is aangemaakt. Desgevraagd heeft verweerder de Procesbeschrijvingen Informatiebeheer Belastingen van de gemeente Rotterdam overgelegd. In dit geval moet specifiek gekeken worden naar de verwerking van de uitgaande bulkpost, zoals beschreven onder punt 5: Naam proces: Verwerking uitgaande bulk post.
Verweerder heeft ter zitting nader toegelicht hoe de werkwijze is. Documenten, zoals de twee brieven aan [gemachtigde], worden door een medewerker opgesteld en “klaargezet” om te worden verwerkt. Elke nacht om 03.00 uur gaat het betreffende programma draaien, dat ervoor zorgt dat de klaargezette documenten worden uitgeprint, gevouwen en in een enveloppe worden gestopt. De documenten worden als PDF- bestand op de Y-schijf geplaatst, zodat deze voor de medewerker(s) toegankelijk zijn. Dagelijks vinden steekproefsgewijs controles plaats op de juiste verwerking en de kwaliteit van de prints. Verder geven de printers foutmeldingen als er iets niet goed gaat. Vervolgens worden de enveloppen op regio gesorteerd en worden zij dezelfde dag aangeboden aan Van Straaten Post om te worden bezorgd.
3.4.
Gelet op deze ter zitting gegeven toelichting door verweerder over het registratiesysteem ODAS is de rechtbank van oordeel dat verweerder met de uitdraaien uit het registratiesysteem ODAS de verzending van de brieven van 11 februari 2016 en
29 maart 2016 aan [gemachtigde] aannemelijk heeft gemaakt.
3.5.
De in de laatste brief van 29 maart 2016 aan [gemachtigde] gestelde termijn om (onder meer) een machtiging van eiseres over te leggen, eindigde op 4 april 2016. Het staat vast dat [gemachtigde] die machtiging niet heeft overgelegd. [gemachtigde] stelt niet meer dan dat geen verzuimbrief door verweerder is verzonden, althans dat een verzuimbrief door hem niet is ontvangen. Op grond van die enkele stelling kan de rechtbank niet tot het oordeel komen dat de ontvangst van de brieven redelijkerwijs kan worden betwijfeld. Verweerder heeft het bezwaar van eiseres tegen de naheffingsaanslag daarom terecht niet-ontvankelijk verklaard.
4. Het beroep is ongegrond.
5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.C. Woudstra, voorzitter, mr. A.P. Hameete en
mr. I. Bouter, leden, en C. Groenewegen, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 14 juni 2017.
griffier voorzitter
Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof te ’s-Gravenhage (belastingkamer).