ECLI:NL:RBROT:2017:4663

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
24 mei 2017
Publicatiedatum
19 juni 2017
Zaaknummer
10/741174-16
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 310 SrArt. 311 lid 1 SrArt. 45 lid 1 SrArt. 350 lid 1 SrArt. 47 lid 1 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling voor twee pogingen tot woninginbraak en cocaïnevervoer in trein

De rechtbank Rotterdam heeft op 24 mei 2017 uitspraak gedaan in de zaak tegen de verdachte, die werd verdacht van twee pogingen tot woninginbraak en het vervoeren van cocaïne in de trein. De feiten vonden plaats in februari en april 2016 (woninginbraken) en december 2016 (cocaïnevervoer). De verdachte werd wettig en overtuigend bewezen dat hij de pogingen tot woninginbraak heeft gepleegd door ramen te forceren en woningen binnen te dringen, evenals het opzettelijk vervoeren van circa 25,2 gram cocaïne.

De rechtbank weegt mee dat woninginbraken ernstige gevoelens van angst en onveiligheid veroorzaken bij slachtoffers en de samenleving. Daarnaast vormt het vervoeren van harddrugs een bedreiging voor de volksgezondheid en leidt het vaak tot verdere criminaliteit. De verdachte heeft eerder soortgelijke feiten gepleegd en toont geen respect voor andermans eigendommen.

De rechtbank veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf van 8 maanden, met aftrek van voorarrest, en herroept de voorwaardelijke invrijheidstelling voor de resterende periode van 862 dagen. Tevens wordt de verdachte veroordeeld tot betaling van een schadevergoeding van €475,- aan de benadeelde partij, vermeerderd met wettelijke rente vanaf 13 februari 2016, en in de proceskosten. De straf en maatregelen zijn passend geacht gezien de ernst van de feiten en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot 8 maanden gevangenisstraf en herroeping van voorwaardelijke invrijheidstelling voor 862 dagen.

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team straf 1
Parketnummers: 10/741174-16 en 10/682014-17
VI-nummer: 99/000421-44
Datum uitspraak: 24 mei 2017
Tegenspraak
Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de gevoegde zaken tegen de verdachte:
[naam verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats verdachte] ( [geboorteland verdachte] ) in 1982,
zonder vaste woon- of verblijfplaats hier te lande,
raadsman mr. H. Weisfelt, advocaat te Den Haag.

1.Onderzoek op de terechtzitting

Gelet is op het onderzoek op de terechtzittingen van 23 november 2016 en 10 mei 2017.

2.Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaardingen. De tekst van de tenlasteleggingen is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

3.Eis officier van justitie

De officier van justitie mr. J. Bonnes heeft gevorderd:
  • bewezenverklaring van het onder parketnummer 10/741174-16 onder 1 en 2 primair ten laste gelegde en het onder parketnummer 10/682014-17 ten laste gelegde;
  • veroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 8 maanden met aftrek van voorarrest;
  • herroeping van de voorwaardelijke invrijheidstelling voor een periode van 862 dagen in de zaak met VI-nummer 99/000421-44.

4.Waardering van het bewijs

In bijlage II heeft de rechtbank de inhoud van wettige bewijsmiddelen opgenomen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Op grond daarvan is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder parketnummer 10/741174-16 onder 1 en 2 primair ten laste gelegde heeft begaan.
In bijlage III heeft de rechtbank een opgave gedaan van wettige bewijsmiddelen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Met deze opgave wordt volstaan, nu de verdachte het bewezen verklaarde heeft bekend en nadien geen vrijspraak is bepleit. Op grond daarvan is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder parketnummer 10/682014-17 ten laste gelegde heeft begaan.
De verdachte heeft de bewezen verklaarde feiten op die wijze begaan dat:
Parketnummer 10/741174-16
1.
hij op of omstreeks 11 april 2016 te Rotterdam ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in/uit een woning, gelegen aan de [adres delict 1] weg te nemen één of meer goed(eren) en/of geldbedrag(en), geheel of ten dele toebehorende aan [naam slachtoffer 1] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en zich daarbij de toegang tot de plaats van het misdrijf te verschaffen en/of die/dat weg te nemen goed(eren) en/of geldbedrag(en) onder zijn bereik te brengen door middel van braak, verbreking en/of inklimming, een ruit/raam van die woning heeft geforceerd en/of (vervolgens) door de aldus ontstane opening die woning is binnen gegaan, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
2. primair
hij op of omstreeks 13 februari 2016 te Papendrecht ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in/uit een woning gelegen aan de [adres delict 2] weg te nemen geld en/of goederen, geheel of ten dele toebehorende aan [naam slachtoffer 2] en/of [naam slachtoffer 3] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) en zich daarbij de toegang tot de plaats van het misdrijf te verschaffen en/of die/dat weg te nemen geld en/of goederen onder zijn/hun bereik te brengen door middel van braak en/of verbreking en/of inklimming, een raam met een kei/steen kapot heeft geslagen en/of gegooid, althans kapot heeft gemaakt,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
Parketnummer 10/682014-17
hij op of omstreeks 27 december 2016 (in de trein) op het traject tussen Roosendaal en Rotterdam, althans in Nederland opzettelijk heeft vervoerd, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad, ongeveer 25,2 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.
Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

5.Strafbaarheid feiten

De bewezen feiten leveren op:
Parketnummer 10/741174-16

1.

poging tot diefstal, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak;
2. primair
poging tot diefstal, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak, begaan door twee of meer verenigde personen;
Parketnummer 10/682014-17
opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder Pro B van de Opiumwet gegeven verbod.
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.
De feiten zijn dus strafbaar.

6.Strafbaarheid verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit.
De verdachte is dus strafbaar.

7.Motivering straf

7.1.
Algemene overweging
De straf die aan de verdachte wordt opgelegd, is gegrond op de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan twee pogingen tot woninginbraak.
In één geval heeft de verdachte midden in de nacht een raam van een woning vernield, waarna hij via dat raam in de slaapkamer van het slachtoffer is geklommen. Het slachtoffer is hierdoor wakker geworden en werd vervolgens geconfronteerd met een wildvreemde man in zijn kamer. Dit moet een zeer angstige ervaring voor het slachtoffer zijn geweest.
In het tweede geval is het gebleven bij het gooien van een steen door de ruit van de woning, omdat de verdachte daarna door de buurvrouw werd betrapt.
(Pogingen tot) woninginbraken zorgen voor gevoelens van angst en onveiligheid bij de slachtoffers in het bijzonder, maar ook in de samenleving in het algemeen. Een woning is immers bij uitstek een plek waar mensen zich veilig moeten kunnen voelen. Voorts veroorzaken deze feiten materiële schade en overlast voor de slachtoffers. De verdachte heeft aangetoond geen respect te hebben voor andermans eigendommen en slechts aan zijn eigen financiële gewin gedacht.
De verdachte heeft zich ook schuldig gemaakt aan het vervoeren van cocaïne. Harddrugs zijn een ernstige bedreiging van de volksgezondheid en leidt niet zelden, direct en indirect, tot diverse vormen van criminaliteit.
Gezien de ernst van de feiten is naar het oordeel van de rechtbank het opleggen van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf op zijn plaats.
Bij het bepalen van de duur van de gevangenisstraf heeft de rechtbank acht geslagen op de oriëntatiepunten voor straftoemeting van het LOVS en de straffen die in soortgelijke zaken plegen te worden opgelegd. Voorts heeft de rechtbank acht geslagen op het uittreksel uit de justitiële documentatie van 5 april 2017, waaruit blijkt dat de verdachte eerder is veroordeeld voor (soortgelijke) strafbare feiten, en het rapport d.d. 5 augustus 2016 dat Bouman GGZ, afdeling reclassering, over de verdachte heeft opgemaakt.
Alles afwegend acht de rechtbank de hierna te noemen straf passend en geboden.

8.Vordering benadeelde partij/schadevergoedingsmaatregel

Als benadeelde partij heeft zich ter zake van het onder parketnummer 10/741174-16 onder 2 primair ten laste gelegde in het geding gevoegd: [naam benadeelde] , wonende te Papendrecht.
De benadeelde partij heeft aangevoerd dat hij een bedrag van € 2.983,- aan schade heeft geleden. Omdat een bedrag van € 2.508,- reeds is vergoed, vordert de benadeelde partij thans nog een bedrag van € 475,-.
8.1.
Standpunt officier van justitie
De officier van justitie heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vordering en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
8.2.
Beoordeling
Vast is komen te staan dat aan de benadeelde partij door het onder parketnummer 10/741174-16 onder 2 primair bewezen verklaarde strafbare feit, rechtstreeks (materiële) schade is toegebracht. De gestelde schadeposten zijn genoegzaam onderbouwd en komen de rechtbank niet onrechtmatig of ongegrond voor. De vordering zal dan ook worden toegewezen.
Nu de verdachte het strafbare feit, ter zake waarvan schadevergoeding zal worden toegekend, samen met een mededader heeft gepleegd, zijn zij daarvoor ieder hoofdelijk aansprakelijk. Indien en voor zover de mededader de benadeelde partij betaalt, is de verdachte in zoverre jegens de benadeelde partij van deze betalingsverplichting bevrijd.
De benadeelde partij heeft gevorderd het te vergoeden bedrag te vermeerderen met wettelijke rente. De rechtbank bepaalt dat het te vergoeden schadebedrag vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 13 februari 2016, de datum waarop de geleden schade is ontstaan.
Nu de vordering van de benadeelde partij zal worden toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil,
en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken.
8.3.
Conclusie
De verdachte moet de benadeelde partij een schadevergoeding betalen van € 475,-, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 13 februari 2016 en kosten als hieronder in de beslissing vermeld.
Tevens wordt oplegging van de hierna te noemen maatregel als bedoeld in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht passend en geboden geacht.

9.Vordering herroeping voorwaardelijke invrijheidstelling

9.1.
Beslissing waarvan herroeping wordt gevorderd
Bij vonnis van 21 juli 2006 van de meervoudige kamer van deze rechtbank is de verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf van 13 jaar, met aftrek van voorarrest. Bij vonnis van
22 april 2005 van de politierechter in deze rechtbank is de verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf van 2 weken, met aftrek van voorarrest.
De verdachte is op 19 juni 2015 voorwaardelijk in vrijheid gesteld, onder de algemene voorwaarde dat hij zich voor het einde van de proeftijd, die 1222 dagen bedraagt, niet schuldig maakt aan een strafbaar feit.
De meervoudige kamer van deze rechtbank heeft op 15 december 2015 de voorwaardelijke invrijheidstelling herroepen voor een periode van 60 dagen en op 24 maart 2016 voor een periode van 300 dagen.
De officier van justitie vordert thans de herroeping van de voorwaardelijke invrijheidstelling voor de resterende periode van 862 dagen
9.2.
Beoordeling
Door het plegen van de bewezen feiten heeft de verdachte de aan de voorwaardelijke invrijheidstelling verbonden algemene voorwaarde niet nageleefd.
Bij de vordering van de officier van justitie is een advies gevoegd van Bouman GGZ, afdeling reclassering, d.d. 23 januari 2017. Uit dit rapport blijkt dat de verdachte niet alleen de algemene voorwaarde meermalen heeft overtreden, maar ook de aan de voorwaardelijke invrijheidstelling verbonden bijzondere voorwaarden. De verdachte heeft zich tot op heden niet begeleidbaar opgesteld. Hij meldt zich op de afgesproken tijden niet bij de reclassering en bevindt zich niet op de plaats waar hij volgens het locatiegebod dient te verblijven.
Uit de vordering van de officier van justitie blijkt verder dat de verdachte sinds 25 maart 2017 geheel onbereikbaar is voor de reclassering en dat de reclassering het recidiverisico onverminderd hoog inschat.
De verdachte heeft gezien het vorenstaande meerdere keren een kans gekregen om zijn leven buiten detentie op de rails te krijgen, maar dat is hem niet gelukt. Dat is geheel aan de verdachte te wijten. Hij houdt zich steeds niet aan voorwaarden die zijn verbonden aan zijn voorwaardelijke invrijheidstelling. Daarom zal de rechtbank de vordering van de officier van justitie tot herroeping van de voorwaardelijke invrijheidstelling toewijzen en gelasten dat het gedeelte van de vrijheidsstraf dat niet ten uitvoer is gelegd, alsnog geheel, te weten 862 dagen, moet worden ondergaan.

10.Toepasselijke wettelijke voorschriften

Behalve op de reeds genoemde artikelen is gelet op de artikelen 36f, 45, 57, 63 en 311 van het Wetboek van Strafrecht en artikel 10 van Pro de Opiumwet.

11.Bijlagen

De in dit vonnis genoemde bijlagen maken deel uit van dit vonnis.

12.Beslissing

De rechtbank:
verklaart bewezen, dat de verdachte de onder parketnummer 10/741174-16 onder 1 en 2 primair en onder parketnummer 10/682014-17 ten laste gelegde feiten, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;
verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;
stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert de hiervoor vermelde strafbare feiten;
verklaart de verdachte strafbaar;
veroordeelt de verdachte tot een
gevangenisstraf voor de duur van 8 (acht) maanden;
beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover deze tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht;
veroordeelt de verdachte hoofdelijk met diens mededader, des dat de een betalende de ander zal zijn bevrijd, om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de benadeelde partij [naam benadeelde] , te betalen een bedrag van
€ 475,- (zegge: vierhonderdenvijfenzeventig euro),bestaande uit materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf
13 februari 2016 tot aan de dag der algehele voldoening;
veroordeelt de verdachte in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden aan de zijde van de benadeelde partij begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;
legt aan de verdachte
de maatregel tot schadevergoedingop, inhoudende de verplichting aan de staat ten behoeve van de benadeelde partij te betalen
€ 475,- (zegge: vierhonderdenvijfenzeventig euro), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 13 februari 2016 tot aan de dag van de algehele voldoening; beveelt dat bij gebreke van volledige betaling en volledig verhaal van het bedrag van € 475,- vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van
9 (negen) dagen; toepassing van de vervangende hechtenis heft de betalingsverplichting niet op;
verstaat dat betaling aan de benadeelde partij, waaronder begrepen betaling door zijn mededader, tevens geldt als betaling aan de staat ten behoeve van de benadeelde partij en omgekeerd;
wijst toe de vordering tot herroeping van de voorwaardelijke invrijheidstelling;
gelast dat het gedeelte van de vrijheidsstraf dat niet ten uitvoer is gelegd, groot 862 dagen, alsnog moet worden ondergaan.
Dit vonnis is gewezen door:
mr. F.W. van Lottum, voorzitter,
en mrs. M.C. Franken en L. Daum, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. K. Aagaard, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op 24 mei 2017.
De oudste rechter is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.
Bijlage I
Tekst tenlastelegging
Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat
Parketnummer 10/741174-16
1.
hij op of omstreeks 11 april 2016 te Rotterdam ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in/uit een woning, gelegen aan de [adres delict 1] weg te nemen één of meer goed(eren) en/of geldbedrag(en), geheel of ten dele toebehorende aan [naam slachtoffer 1] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en zich daarbij de toegang tot de plaats van het misdrijf te verschaffen en/of die/dat weg te nemen goed(eren) en/of geldbedrag(en) onder zijn bereik te brengen door middel van braak, verbreking en/of inklimming, een ruit/raam van die woning heeft geforceerd en/of (vervolgens) door de aldus ontstane opening die woning is binnen gegaan, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
art 310 Wetboek Pro van Strafrecht
art 311 lid 1 ahf Pro/sub 5 Wetboek van Strafrecht
art 45 lid 1 Wetboek Pro van Strafrecht
2. (10/682222-16)
hij op of omstreeks 13 februari 2016 te Papendrecht ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in/uit een woning gelegen aan de [adres delict 2] weg te nemen geld en/of goederen, geheel of ten dele toebehorende aan [naam slachtoffer 2] en/of [naam slachtoffer 3] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) en zich daarbij de toegang tot de plaats van het misdrijf te verschaffen en/of die/dat weg te nemen geld en/of goederen onder zijn/hun bereik te brengen door middel van braak en/of verbreking en/of inklimming, een raam met een kei/steen kapot heeft geslagen en/of gegooid, althans kapot heeft gemaakt,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
art 310 Wetboek Pro van Strafrecht
art 311 lid 1 ahf Pro/sub 4 Wetboek van Strafrecht
art 311 lid 1 ahf Pro/sub 5 Wetboek van Strafrecht
art 45 lid 1 Wetboek Pro van Strafrecht
Subsidiair, voorzover het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 13 februari 2016 te Papendrecht tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk en wederrechtelijk een raam van een woning (gelegen aan de [adres delict 2] ), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [naam slachtoffer 2] en/of [naam slachtoffer 3] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), heeft vernield en/of beschadigd en/of onbruikbaar gemaakt;
art 350 lid 1 Wetboek Pro van Strafrecht
art 47 lid 1 ahf Pro/sub 1 Wetboek van Strafrecht
Parketnummer 10/682014-17
hij op of omstreeks 27 december 2016 (in de trein) op het traject tussen Roosendaal en Rotterdam, althans in Nederland opzettelijk heeft vervoerd,
in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad,
ongeveer 25,2 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.
art 2 ahf Pro/ond B Opiumwet
art 10 lid 4 Opiumwet Pro