In deze zaak staat een executiegeschil centraal tussen eiser en de Automakelaar over de afgifte van een Mercedes en de verbeurde dwangsommen. Eiser had een Mercedes gekocht en een overeenkomst gesloten met de Automakelaar, die later tot een kort geding leidde over eigendom en betaling.
Eerder vonnissen legden Automakelaar op de auto af te geven en het kenteken op naam van eiser te registreren, onder dwangsom. Automakelaar stelde dat eiser dwangsommen had verbeurd en legde beslag op loon en belastingteruggave van eiser. Eiser betwistte de hoogte van de verbeurde dwangsommen en stelde dat hij de kentekencard en tenaamstellingscodes had afgegeven.
De rechtbank oordeelde dat eiser inderdaad dwangsommen had verbeurd, maar slechts tot een bedrag van €7.512,75 inclusief proceskosten. De executie voor het meerdere werd verboden onder dwangsom, tenzij eiser binnen vier weken een bodemprocedure start. De rechtbank verwierp het beroep op misslag en noodtoestand en bepaalde dat partijen ieder hun eigen proceskosten dragen.