Conclusie
persbericht (https://www.raadvanstate.nl/pers/persberichten/tekst-persbericht.html?id=1133)uitgebracht.
4 april 2018
Mr. P.J. Wattel
Samenvatting
(zie noot 1)Op 2 september 2015 heeft de staatssecretaris besloten een dwangsom ad € 200.000,00 in te vorderen die door [appellant] verbeurd is door niet-naleven van een bij besluit van 7 juli 2015 opgelegde last onder dwangsom om die afvalstoffen af te voeren en milieuhygiënisch nuttig toe te (laten) passen of te (laten) verwijderen in een daartoe erkende inrichting. Omdat [appellant] evenmin gevolg heeft gegeven aan een bij besluit 20 juli 2015 opgelegde last onder bestuursdwang, heeft de staatssecretaris de afvalstoffen laten weghalen en verbranden. Bij besluit van 16 september 2015 heeft hij de kosten daarvan vastgesteld op € 107.384,00, die hij bij datzelfde besluit op [appellant] verhaalt.
- Lijst van verkort aangehaalde literatuur
Lijst van verkort aangehaalde literatuur
1.De feiten en het procesverloop
(zie noot 2)Het besluit vermeldt [bedrijf B] in [plaats] als verwerkingslocatie.
2.Het verzoek om een conclusie en de reacties daarop van partijen
(1a) "Dient het bestuursorgaan bij het voorbereiden en nemen van het besluit tot invordering van een verbeurde dwangsom en bij het besluit tot verhaal van de kosten van de toepassing van bestuursdwang, en bij de beslissing op bezwaar tegen deze besluiten, rekening te houden met door betrokkene gestelde bijzondere omstandigheden aan de zijde van de betrokkene? (1b) Zo ja, met welk soort bijzondere omstandigheden? (1c) Moet de financiële draagkracht van betrokkene daartoe worden gerekend?
(4) "Wat mag van de rechtzoekende worden verwacht ten aanzien van het (tijdig) stellen en aannemelijk maken of aantonen van bijzondere omstandigheden?"
"Dient de bestuursrechter ingeval het beroep is gericht tegen een besluit tot invordering van een verbeurde dwangsom en het besluit tot verhaal van de kosten van de toepassing van bestuursdwang bij zijn oordeel rekening te houden met bijzondere omstandigheden? (5b) Zo ja, met welk soort bijzondere omstandigheden? (5c) Moet de financiële draagkracht van betrokkene daartoe worden gerekend? (5d) Is voor het oordeel van de bestuursrechter relevant dat die omstandigheden zijn gewijzigd sedert de datum van het bestreden besluit?"
(6) "Of behoeft door de rechter pas rekening te worden gehouden met eventuele bijzondere omstandigheden als vorenbedoeld bij de feitelijke invordering van de dwangsom en de kosten van de toepassing van bestuursdwang?"
(7) "Maakt het voor de beantwoording van een of meer van de hiervoor gestelde vragen naar uw oordeel verschil of het gaat om de invordering van verbeurde dwangsommen dan wel om het verhaal van feitelijk gemaakte kosten van de toepassing van bestuursdwang?"
3.Uitgangspunt: formele rechtskracht van de initiële herstelsancties
4.Het Awb-stelsel van handhaving
(zie noot 3)
(zie noot 4)Hoewel de wetgever vooral beoogde bestuursorganen de ruimte te geven om per geval te beoordelen welk handhavingsmiddel het geschiktst is, bleek dat sommige bestuursorganen in de praktijk soms niet handhaafden. De rechtspraak heeft als gevolg daarvan, met name op basis van klachten van derden die last hadden van bestuurlijk ‘gedogen’, de discretionaire ruimte beperkt in jurisprudentie waarvan de strekking doorgaans aldus samengevat wordt dat een ‘beginselplicht tot handhaving’ geldt. U overwoog in 1992 dat:
(zie noot 5)
(zie noot 6)
(zie noot 7)
(zie noot 8)Zulke gevallen zijn niettemin denkbaar in geval van, bijvoorbeeld, niet-terugvordering van verkapte fiscale staatssteun.
(zie noot 9)Dat kan ernstige financiële, milieu-, veiligheids-, concurrentievervalsings- of andere gevolgen hebben voor bedrijven, natuurlijke personen en (overheids)instanties en is daarom hoogst onwenselijk. Het CBb verwoordde het in 2011 als volgt:
(zie noot 10)
(zie noot 11)
(zie noot 12)De gevolgen van handhaving kunnen onevenredig zijn in verhouding tot de daarmee te bereiken doelen. Ik ga daar niet in het algemeen op in, maar noem slechts enige voorbeelden, zoals concreet zicht op beëindiging van de overtreding, geringe ernst van de overtreding, niet daadwerkelijk geschaad zijn van belangen van derden (meer algemeen: het niet significant geschaad zijn van de met handhaving gediende belangen), het incidentele karakter van een overtreding en de persoonlijke omstandigheden van de overtreder, zoals de afwezigheid van opzet, of grote financiële gevolgen die handhaving zal hebben.
(zie noot 13)Uiteraard kunnen ook de (andere) algemene beginselen van behoorlijk bestuur, met name het gelijkheidsbeginsel en het vertrouwensbeginsel in de weg staan aan handhaving.
(zie noot 14)
(zie noot 15)De last is een besluit in de zin van artikel 1:3 Awb Pro, waarvoor dus de Awb-bepalingen voor besluiten gelden.
(zie noot 16)Onder meer moeten belanghebbenden gehoord worden en moet het besluit op hun zienswijzen ingaan (art. 4:8 Awb Pro), mede gezien de in 4.2.7. hierboven besproken belangenafweging.
(zie noot 17)
(zie noot 18)Een last onder bestuursdwang heeft bij niet-nakoming geen rechtstreekse consequenties voor de overtreder, en bestuursdwang heeft praktische bezwaren, zoals het ontbreken van middelen om de beëindiging of voorkoming van overtreding te kunnen (voor)financieren, organisatorische problemen (de overheid moet het zelf regelen) en financiële risico's (het staat niet op voorhand vast dat de kosten verhaald zullen kunnen worden). Oplegging van een last onder dwangsom is veel simpeler: dat beperkt zich tot het horen van belanghebbenden en het toezenden van een besluit aan de overtreder; veel minder gedoe en geen financiële risico’s , maar juist kans op voordeel: verbeurde dwangsommen gaan naar de oplegger (art. 5.10(1) Awb). De dwangsom kan zodanig bepaald worden dat voortzetting of herhaling hoogst onaantrekkelijk is voor de overtreder. Als de overtreder de last negeert, kan de verbeurde dwangsom opgeëist worden en kan alsnog bestuursdwang toegepast worden, mogelijk gefinancierd uit de ingevorderde dwangsom.
(zie noot 19)
(zie noot 20)(art. 5:32(1) Awb) die het in zijn macht heeft om de last uit te voeren (de overtreding te beëindigen).
(zie noot 21)
(zie noot 22)In de praktijk wordt een bedrag ineens niet vaak opgelegd.
(zie noot 23)Een bedrag ineens kan gunstiger zijn voor de overtreder dan een bedrag per tijdseenheid in die zin dat hij tot het einde van de termijn kan wachten zonder financiële consequenties. Bij duurovertredingen heeft een bedrag per overtreding geen zin, maar is een bedrag per tijdseenheid aangewezen. Een bedrag per overtreding is bij uitstek geschikt om herhaalbare overtredingen tegen te gaan en lijkt mij in essentie de bestuurlijke versie van een strafrechtelijke voorwaardelijke veroordeling.
(zie noot 24)
(zie noot 25)Dat is in beginsel niet anders als beëindiging van de overtreding de financiële mogelijkheden van de overtreder te buiten gaat,
(zie noot 26)maar in dat geval rijst de vraag of die last wel kon worden opgelegd (hij moet beëindiging immers in zijn macht hebben) en ligt het voor de hand dat de overtreder zulks naar voren brengt bij de voorafgaande hoorzitting (art. 4:8 Awb Pro) c.q. achteraf in bezwaar (art. 7:2 Awb Pro) en zo nodig opheffing of wijziging van de last vraagt (art. 5:34 Awb Pro). Het financiële voordeel van een overtreder bij niet-nakomen van de last is uiteraard wél relevant: de dwangsom moet voldoende financiële prikkel inhouden om met de (lucratieve) overtreding op te houden.
(zie noot 27)
(zie noot 28)Onder meer moeten belanghebbenden vooraf worden gehoord en moet het besluit op hun zienswijzen ingaan (art. 4:8 Awb Pro), mede gezien de in 4.2.7. hierboven besproken belangenafweging, tenzij onverwijlde spoed zich tegen de gebruikelijke voorbereiding en bekendmaking van de last verzet (art. 5:31(2) Awb).
(zie noot 29)
(zie noot 30)
(zie noot 31)Het is ook niet steeds nodig om al bij de oplegging van de last onder bestuursdwang uit te zoeken wie de overtreder is: bestuursdwang is immers niet nodig als de belanghebbenden zelf maatregelen nemen.
(zie noot 32)De wetgever achtte het niet nuttig dat een bestuursorgaan steeds zou moeten uitzoeken wie de overtreder is, met het risico dat achteraf de verkeerde persoon aangeschreven blijkt en kostenverhaal niet mogelijk is, terwijl de belanghebbenden zelf wél wisten wie de overtreder was.
(zie noot 33)De Awb sluit uiteraard niet uit dat reeds in de last onder bestuursdwang een bepaalde persoon als overtreder wordt aangeschreven. Dat is voor die betrokkene niet zonder risico: als hij niet binnen zes weken (art. 6:7 Awb Pro) opkomt tegen die last, en de last aldus formele rechtskracht krijgt, kan hij bij later kostenverhaal in beginsel niet meer met vrucht aanvoeren dat hij niet de overtreder was.
(zie noot 34)
(zie noot 35)
(zie noot 36)
(zie noot 37)
(zie noot 38)Voor de hand ligt dat een last onder dwangsom die geen effect heeft gehad, gevolgd wordt door een last onder bestuursdwang, maar er kan ook een nieuwe last onder (hogere) dwangsom worden opgelegd als de eerste kennelijk onvoldoende tot beëindiging prikkelde,
(zie noot 39)zoals de gemeente in casu jegens [appellant] heeft gedaan.
(zie noot 40)Omdat eendaadse samenloop zich zelden voordoet, heeft de wetgever hem niet geregeld, maar hij heeft wel geëxpliciteerd dat bij eendaadse samenloop het evenredigheidsbeginsel zich steeds verzet tegen sanctiecumulatie:
(zie noot 41)
(zie noot 42)
(zie noot 43)Dat kan meebrengen dat verschillende bestuursorganen tegelijk optreden en dat cumulatie van sancties minder snel tot onevenredigheid leidt. Uiteraard moet hun cumulatie betrokken worden in de verplichte evenredigheidsbeoordeling ex art. 3:4(2) Awb. De medewetgever heeft dit als volgt toegelicht:
(zie noot 44)
(zie noot 45)
(zie noot 46)betrof verzwijging van een inkomensgegeven voor meer regelingen. Verheij annoteerde dat in het bestuursrecht, anders dan in het strafrecht, verschillende bestuursorganen betrokken kunnen zijn bij de wetshandhaving en daarmee bij het opleggen van sancties en dat zij bij voorzienbare sanctiesamenloop met elkaar zouden moeten afstemmen:
(zie noot 47)Een punitieve sanctie, zoals een bestuurlijke of strafrechtelijke boete of een vrijheidsstraf, beoogt de overtreder immers te doen lijden (zie, expliciet, art. 5:2(1)(c) Awb).
(zie noot 48)Een last onder bestuursdwang daarentegen strekt slechts tot herstel van de rechtmatige toestand. Dat kan op kostenverhaal uitlopen, maar die kosten had de overtreder zelf moeten maken. Aan de last onder dwangsom zit een punitiever luchtje, althans als het tot invordering komt, maar ook die last is door de wetgever bij de herstelsancties ingedeeld en in de jurisprudentie als reparatoir en niet (mede) punitief aangemerkt.
(zie noot 49)Dat een herstelsanctie en een punitieve sanctie kunnen cumuleren,
(zie noot 50)neemt niet weg dat het evenredigheidsbeginsel moet worden gerespecteerd, hetgeen met name inhoudt dat bij de oplegging van de punitieve sanctie rekening wordt gehouden met de oplegging van de reparatoire sanctie,
(zie noot 51)zoals er bij strafoplegging altijd rekening gehouden moet worden met alle relevante omstandigheden, met name de persoonlijke omstandigheden, waaronder de financiële, van de bestrafte. Art. 5:46(2) en (3) Awb brengen mee dat bij de bepaling van een bestuurlijke boete ook rekening wordt gehouden met samenloop met herstelsancties. Andersom ligt het echter juist niet voor de hand dat (de hoogte van) een boete een reden zou zijn om geen herstel van de rechtmatige toestand te bewerkstelligen of om een ineffectief lagere dwangsom op te leggen.
(zie noot 52)Mede gezien de belangen van derden moet de rechtmatige toestand hersteld (kunnen) worden, zo nodig door oplegging van herstelsancties, ongeacht of voor dezelfde misdraging al een punitieve sanctie is opgelegd.
(zie noot 53)
(zie noot 54)Bij de herstelsancties worden daarop echter uitzonderingen gemaakt, want als beëindiging van de overtreding vlak vóór de beslissing op het bezwaar zou nopen tot voor de overtreder gunstige heroverweging en herroeping van de last, zou de overtreder zonder risico kunnen doorgaan met overtreden tot vlak voor het besluit op bezwaar. Effectieve handhaving kan dus vergen dat de vraag naar de rechtmatigheid, met name de proportionaliteit, van oplegging en handhaving van een bestuurlijke sanctie in bezwaar ex tunc wordt beoordeeld, i.e. naar de situatie ten tijde van de oplegging.
(zie noot 55)Dit neemt niet weg dat gewijzigde omstandigheden tussen de oplegging en de beslissing op bezwaar tot aanpassing of intrekking van de herstelsanctie voor de toekomst kunnen leiden.
(zie noot 56)
(zie noot 57)De bevoegdheid tot kostenverhaal voorkomt dat bestuursorganen afzien van bestuursdwang wegens de kosten daarvan. Van een last onder dwangsom gaat weinig dreiging uit als bekend is dat dwangsommen vaker niet dan wel worden ingevorderd. De medewetgever merkte in de memorie van toelichting bij de Vierde tranche van de Awb (onder meer introducerende de invorderingsbeschikking en de kostenverhaalbeschikking) het volgende op:
(zie noot 58)
(zie noot 59)
(zie noot 60)
(zie noot 61)De wetgever achtte dat bij nader inzien minder gelukkig. Geschillen over de invordering van dwangsommen, die immers van rechtswege, dus zonder nadere beschikking worden verbeurd, betroffen vaak de bestuursrechtelijke vraag of de last al dan niet was nageleefd, die aldus bij de burgerlijke executierechter terecht kwam.
(zie noot 62)Ook geschillen over kostenverhaal betreffen niet zelden de vraag of aan de last is voldaan, en gaan ook vaak over de eveneens bestuursrechtelijke vragen naar de redelijkheid (proportionaliteit) van de gekozen bestuursdwang en de hoogte van de gemaakte kosten. Bovendien konden derden zich in het oude stelsel niet tot de bestuursrechter wenden als zij met het bestuursorgaan van mening verschilden over de vraag of aan de last was voldaan of over de vraag of een (huns inziens) verbeurde dwangsom ten onrechte niet door het bestuursorgaan werd ingevorderd. De wetgever heeft daarom de kostenverhaalbeschikking en dwangsom-invorderingsbeschikking geïntroduceerd. Voor de burgerlijke rechter moesten alleen de zuivere executiegeschillen over blijven, bijvoorbeeld over de vraag of op bepaalde goederen of rekeningen beslag kan worden gelegd en of de beslagvrije voet is gerespecteerd.
(zie noot 63)
(zie noot 64)en is constitutief in die zin dat zij (i) de opeisbaarheid omzet in afdwingbaarheid en (ii) bezwaar- en beroepsmogelijkheden schept voor belanghebbenden. Uit art. 5:37 Awb Pro blijkt immers dat het om een besluit ex art. 1:3 Awb Pro gaat, zodat de Awb-voorschriften voor besluiten gelden, tenzij anders bepaald.
(zie noot 65)De invorderingsbeschikking is geen executoriale titel. Dat is het dwangbevel pas. Zij is eerder vergelijkbaar met een naheffingsaanslag die een rechtstreeks uit de belastingwet voortvloeiende materiële belastingschuld die echter niet (tijdig) door de belastingplichtige wordt voldaan, formaliseert in een afdwingbare vaststelling.
(zie noot 66)omdat de invorderingsbeschikking strekt tot vaststelling van een financiële verplichting en de nadelige gevolgen daarvan doorgaans na bezwaar volledig ongedaan kunnen worden gemaakt. Deze rechtspraak kan niet op algemene instemming rekenen (zie 5.3.2. hieronder).
(zie noot 67)Uit art. 4:86 Awb Pro volgt mijns inziens dat het te betalen bedrag, de betalingstermijn en het rekeningnummer moeten worden vermeld.
(zie noot 68)Ook moet, zo blijkt uit de wetsgeschiedenis (zie het citaat in 4.7.1.), de beslissing om in te vorderen gemotiveerd worden, zij het dat doorgaans volstaan zal kunnen worden met de overweging dat er, gezien de beginselplicht tot tenuitvoerlegging, geen redenen zijn gebleken om van invordering af te zien. Uiteraard moet het bestuursorgaan wel ingaan op specifieke redenen om (deels) niet in te vorderen als die zijn aangevoerd.
(zie noot 69)
(zie noot 70)
(zie noot 71)
(zie noot 72)In de minder recente literatuur werd wel betoogd dat het om een straf gaat omdat invordering niet tot enig herstel leidt, maar nog louter beoogt de overtreder financieel te treffen, met name als de overtreding al is beëindigd. In de rechtspraak daarentegen overheerste en overheerst de gedachte dat, gezien de samenhang tussen oplegging van een last onder dwangsom en de invordering ervan bij niet-nakoming, de invordering deelt in het reparatoire karakter van de last.
(zie noot 73)Ook de wetgever meent kennelijk dat dwangsominvordering (nog steeds) reparatoir is en niet punitief.
(zie noot 74)
(zie noot 75)Uit art. 4:12 Awb Pro volgt dan dat vooraf horen niet verplicht is. In casu is [appellant] ook niet vooraf gehoord.
(zie noot 76)
(zie noot 77)
(zie noot 78)
(zie noot 79)Een bezwaar of (hoger) beroep tegen de last onder bestuursdwang of last onder dwangsom ziet daartoe van rechtswege ook op de invorderingsbeschikking of kostenverhaalbeschikking die lopende dat bezwaar of (hoger) beroep bekend wordt gemaakt.
(zie noot 80)Als tegen de last al beroep is ingesteld, betekent deze regeling dat er geen gelegenheid meer is om gehoord te worden en om bijzondere omstandigheden naar voren te brengen. Zoals in de literatuur is uiteengezet, staat dat haaks op de parlementaire geschiedenis van art. 4:12 Awb Pro, waaruit immers volgt dat een overtreder minstens één keer de gelegenheid moet hebben gehad zijn zienswijze aan het bestuur voor te leggen alvorens hij zich tot de bestuursrechter wendt.
(zie noot 81)
(zie noot 82)
(zie noot 83)Binnen zes weken na bekendmaking van een kostenverhaalbeschikking moeten de kosten worden betaald (art. 4:87 Awb Pro). Het bestuursorgaan kan uitstel verlenen of een betalingsregeling vaststellen (art. 4:94 Awb Pro). Wordt niet tijdig betaald, dan is de overtreder in verzuim (art. 4:97 Awb Pro), waardoor de wettelijke-rentemeter gaat lopen (art. 4:98 Awb Pro) en een aanmaning (art. 4:112 Awb Pro) zal volgen. Wordt dan nog steeds niet betaald, dan vaardigt het bestuursorgaan een dwangbevel uit (art. 4:117 juncto Pro art. 5:10(2) Awb) dat een executoriale titel is die volgens Rv. wordt tenuitvoergelegd, meestal door (derden)beslaglegging.
(zie noot 84)
(zie noot 85)
(zie noot 86)
(zie noot 87)De toezegging van een bestuursorgaan dat niet feitelijk ingevorderd zal worden, kan dus door de werking van het vertrouwensbeginsel incasso onrechtmatig maken.
(zie noot 88)
(zie noot 89)Ook als zij nog geen formele rechtskracht hebben, moet er wel betaald worden.
(zie noot 90)De civiele rechter kan wel de executie doen staken, bijvoorbeeld, als de executant, mede gelet op het belang van de overtreder, geen in redelijkheid te respecteren belang heeft bij uitoefening van zijn bevoegdheid tot executie, bijvoorbeeld als het dwangbevel klaarblijkelijk op een juridische of feitelijke misslag berust of als de executie op grond van naderhand gebleken feiten klaarblijkelijk de overtreder in een noodtoestand zal brengen die onverwijlde executie onaanvaardbaar maakt
(zie noot 91)in het licht van art. 3:13 BW Pro.
(zie noot 92)Uit het gegeven dat het om naderhand gebleken feiten gaat, volgt dat de burgerlijke rechter er van uit gaat dat de ten tijde van de besluiten bestaande feiten toen in een evenredigheidsbeoordeling zijn betrokken waar hij in beginsel niet meer in treedt.
(zie noot 93)Bij onomkeerbare gevolgen zal de burgerlijke rechter eerder tot staking van de executie concluderen.
(zie noot 94)
(zie noot 95)
(zie noot 96)Dat kan bijvoorbeeld het geval zijn als executie leidt tot een faillissement terwijl de titel voor invordering of verhaal nog niet onherroepelijk is.
(zie noot 97)
5.Stelplicht, bewijslast en ambtelijk en rechterlijk onderzoek
(zie noot 98)De medewetgever verwees daarbij naar een arrest van het Hof Leeuwarden, inhoudende dat geen feiten of omstandigheden waren aangevoerd die zouden kunnen leiden tot het oordeel dat invordering van de dwangsommen onrechtmatig was, hetgeen leidde tot vernietiging van het vonnis van de rechtbank, die invordering als onevenredig had aangemerkt.
(zie noot 99)De wetgever wilde dus kennelijk dat het bestuursorgaan rekening houdt met de relevante, dus ook met bijzondere omstandigheden die hem bekend zijn, met name doordat de overtreder hem er opmerkzaam op heeft gemaakt. Het lijkt mij overigens dat zulks reeds uit art. 3:4 Awb Pro voortvloeit.
(zie noot 100)zij het in het kader van verzoeken van derden om toepassing van bestuursdwang; deze passage ziet dus mogelijk vooral op de feitelijke uitoefening van bestuursdwang. Over kostenverhaal merkte de medewetgever slechts op dat de kosten 'in beginsel' voor rekening van de overtreder komen, en dat invoering van de kostenverhaalbeschikking het voordeel heeft dat geschillen over de hoogte van de kosten en daarmee over de redelijkheid en de proportionaliteit van de bestuursdwang, voortaan voor de bestuursrechter komen.
(zie noot 101)
(zie noot 102)horen in beginsel niet thuis in de procedures over de uitvoeringsbesluiten (tenzij het overtrederschap in de last niet was vastgesteld), behoudens zeer bijzondere omstandigheden die doorbreking van formele rechtskracht c.q. van onherroepelijkheid van beschikkingen rechtvaardigen, met name (i) Emmott-achtige situaties
(zie noot 103)(dat de overtreder zijn rechtsmiddelen niet heeft gebruikt of heeft ingetrokken, ligt aan de overheid), (ii) erkenning van onrechtmatigheid door het bestuursorgaan
(zie noot 104)en (iii) schending van fundamentele rechtsbeginselen.
(zie noot 105)Voor de hand ligt om in de bestuursrechtelijke procedure over de uitvoeringsbeschikkingen die afwegingen te plaatsen die vóór de introductie van de uitvoeringsbeschikkingen bij de burgerlijke executierechter terecht kwamen maar waarvan de wetgever vond dat zij bij de bestuursrechter thuishoren omdat zij bestuursrechtelijk en niet executierechtelijk van aard zijn. Ik zie geen aanwijzingen dat het bij de introductie van de uitvoeringsbesluiten de bedoeling van de wetgever was om bij de beoordeling van die besluiten een herkansing te bieden na een afgewezen of niet-ingesteld bezwaar of beroep tegen het initiële sanctiebesluit, waarvan bovendien desgeraden ook wijziging of intrekking gevraagd kan worden (art. 5:34 Awb Pro voor het geval van een dwangsom die nog niet verbeurd is, en voor het overige buitenwettelijk
(zie noot 106)).
(zie noot 107)erkent u de mogelijkheid dat (deels) afgezien wordt van kostenverhaal als de overtreder weinig of geen verwijt te maken valt en het algemeen belang hoe dan ook overheidsingrijpen vergt.
(zie noot 108)Zo overwoog u in 2005 over kostenverhaal:
(zie noot 109)
(zie noot 110)
(zie noot 111)Nu het bij invordering van dwangsommen en kostenverhaal gaat om ambtshalve genomen besluiten ten nadele van de overtreder, rusten de stelplicht en de bewijslast ter zake van het verbeurd zijn van de dwangsom (van het niet tijdig voldaan zijn aan de last) c.q. van de gemaakte kosten van bestuursdwang op het bestuursorgaan.
(zie noot 112)Uit de art. 3:2 en Pro 3:4 Awb en de algemene beginselen van behoorlijk bestuur volgt dat het bestuur uit eigen beweging de relevante feiten moet onderzoeken, met name als actie ondernomen wordt naar aanleiding van een klacht van een derde, maar dat kan niet zover gaan dat het bestuur uit eigen beweging allerlei denkbare, maar niet eenvoudig kenbare omstandigheden aan de zijde van de belanghebbende zou moeten onderzoeken die aan invordering of verhaal in de weg zouden kunnen staan.
(zie noot 113)Een bestuursorgaan zal veelal ook niet de bevoegdheid hebben om privacygevoelige persoonlijke omstandigheden van ambtswege te onderzoeken. Art. 8(2) EVRM, art. 8(2) EU-Handvest, de EU-gegevens-beschermingsrichtlijn
(zie noot 114)(binnenkort: -verordening)
(zie noot 115)en de Wet bescherming persoonsgegevens eisen een uitdrukkelijke wettelijke bevoegdheid. Een fishing expedition voldoet hoe dan ook niet aan de eisen van doelgebonden subsidiariteit en proportionaliteit.
(zie noot 116)U overwoog in 1997 al dat onderzoek van ambtswege naar persoonlijke omstandigheden - in dat geval de financiële positie van de dwangsommeling - niet vereist is, kort gezegd omdat daartoe geen wettelijke verplichting bestaat.
(zie noot 117)
(zie noot 118)Zoals boven bleek, volgt dat ook uit de wetsgeschiedenis. Na levering van het bewijs van bestuurszijde dat en zo mogelijk waarom aan de last niet is voldaan c.q. dat en tot welk bedrag kosten van bestuursdwang gemaakt zijn en gemaakt moesten worden, is het aan de overtreder om redenen aan te voeren - kennelijk in de bezwaarfase, nu horen niet verplicht is - om de invorderings- of verhaalbeschikking niet of anders uit te voeren. Volgens de wetgever ligt het (bij de dwangsom) "op de weg van de overtreder om dergelijke omstandigheden onder de aandacht van het bestuursorgaan te brengen" (zie 4.7.1. hierboven)
(zie noot 119)en bij bestuursdwang "op de weg van de overtreder om deze bijzondere omstandigheden aan te voeren".
(zie noot 120)Dat volgt ook uit de algemene regel dat degene die een uitzondering op de hoofdregel (in casu: invordering en kostenverhaal) bepleit, de stelplicht draagt, en bij betwisting de bewijslast. Ook de algemene bewijsregel dat die partij bewijst die in de beste bewijspositie verkeert, legt bij de overtreder de stelplicht ter zake van aanleidingen om van uitvoering af te zien.
(zie noot 121)
(zie noot 122)
(zie noot 123)
(zie noot 124)De vraag rijst of dat horen niet verplicht is:
(zie noot 125)
(zie noot 126)en die (dus) (ii) een heel ander doel dient, namelijk een verschuiving van de rechtsmacht van de civiele executierechter naar de bestuursrechter, terwijl (iii) de parlementaire geschiedenis van art. 4:12 Awb Pro er op wijst dat die bepaling niet voor dwangsominvordering en kostenverhaal bedoeld is,
(zie noot 127)maar voor financiële-beschikkingenfabrieken zoals de belastingdienst en de uitvoeringsinstanties van de sociale zekerheid, bij wie het vooraf moeten horen van belanghebbenden hoge maar zinloze bestuurslasten met zou brengen, gegeven dat die beschikkingen berusten op dwingende regels en doorgaans bekende feiten en hun gevolgen bijna altijd in bezwaar of beroep ongedaan kunnen worden gemaakt.
(zie noot 128)Het gaat in art. 4:12(1) Awb volgens de wetgever om beschikkingen die een financiële betrekking tussen burger en bestuur regelen; niet om beschikkingen die iets anders beogen maar ook financiële consequenties hebben of kunnen hebben,
(zie noot 129)aldus de critici.
(zie noot 130)Dat lijkt mij naar intern recht terecht, nu de invorderingsbeschikking 'de verbeurte' vaststelt en daarmee een financiële verhouding tussen bestuur en overtreder regelt. Weliswaar vloeit de verbeurte (de opeisbaarheid) uit de wet voort, dat maakt betaling van de dwangsom nog niet afdwingbaar. De wet (art. 5:37 Awb Pro) eist voor aanmaning een voorafgaande invorderingsbeschikking. Ik neem aan dat dit impliceert dat een dwangbevel, dat immers pas ná de aanmaning komt, evenmin kan worden uitgevaardigd zonder voorafgaande invorderingsbeschikking. Zoals boven (4.8.1.) bleek: de invorderingsbeschikking lijkt op de naheffingsaanslag die vereist is om een aangiftebelasting waarvan de betalingsverplichting rechtstreeks uit de wet voortvloeit, invorderbaar te maken: de ontvanger van rijksbelastingen kan geen dwangbevel uitvaardigen zonder voorafgaande naheffingsaanslag (en aanmaning). De invorderingsbeschikking stelt vast dat en tot welk bedrag dwangsommen zijn verbeurd en dat en tot welk bedrag die zullen worden ingevorderd. Daarover kan zonder invorderingsbeschikking onzekerheid en geschil bestaan en dat was precies de reden voor haar invoering: voorkomen dat die onzekerheid en dat geschil bij de executierechter terecht zouden komen.
(zie noot 131)zodat het geschil zich binnen de werkingssfeer van het EU-recht afspeelt en de algemene beginselen van EU-recht van toepassing zijn, waaronder het verdedigingsbeginsel.
(zie noot 132)Dat beginsel eist dat de adressaten van belastende beschikkingen vooraf worden gehoord. Het lijkt mij ook geen behendig bestuur om de overtreder niet vooraf te horen als er geen spoedeisend belang bestaat bij invordering c.q. verhaal, zoals mogelijke verdwijning van de overtreder of diens verhaalsobjecten. De achtergrond van het EU-rechtelijke verdedigingsbeginsel is juist dat er een gelegenheid voor de beschikkeling moet zijn om feiten en argumenten naar voren te brengen die het bestuur kunnen doen besluiten geen of een minder belastende beschikking te nemen. De belastingkamer van de Hoge Raad heeft over de EU-rechtelijke aanvaardbaarheid van art. 4:12 Awb Pro prejudiciële vragen gesteld
(zie noot 133)aan het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJ EU) in de gevoegde zaken Kamino en Datema Hellman,
(zie noot 134)over naheffing van douanerechten. Het HvJ EU overwoog als volgt:
(zie noot 135)
(zie noot 136)Bovendien bleek tijdens uw eerste zitting dat de staatssecretaris bereid was af te zien van invordering van de dwangsom en tot een betalingsregeling ter zake van de kosten van bestuursdwang, en bleek hij tijdens uw tweede zitting bovendien bereid om - kort gezegd - € 45.000 aan kostenverhaal gespreid over vijf jaar te ontvangen, nu hij reeds circa € 15.000 had verhaald door loonbeslag. Dat geeft aan dat er - ook ten tijde van de uitvoeringsbeschikkingen - kennelijk omstandigheden waren die de staatssecretaris hadden kunnen doen afzien van invordering van de dwangsom en hem in elk geval tot een betalingsregeling ter zake van het kostenverhaal hadden kunnen brengen.
(zie noot 137)Gaat het om uitvoering van EU-recht, dan wordt het verdedigingsbeginsel geschonden ter zake van de besluiten tot invordering en verhaal.
(zie noot 138)
(zie noot 139)Op het bestuursorgaan rust mijns inziens wel de plicht om duidelijk te maken welk materiaal als voldoende bewijs van de juistheid van de stellingen van de overtreder zal kunnen worden aanvaard. Dat brengt het zorgvuldigheidsbeginsel mee. Is aan die aannemelijkheidseisen moeilijk te voldoen zonder medewerking van of begeleiding door het bestuursorgaan (dat bijvoorbeeld mogelijk relevante documenten onder zich heeft die de overtreder niet heeft), dan brengt dat beginsel mijns inziens ook mee dat het bestuursorgaan desverzocht de overtreder begeleidt bij het verzamelen van het door het bestuursorgaan gewenste bewijs.
(zie noot 140)Hij zal dus ook, als een overtreder redelijkerwijs niet hoeft te begrijpen dat hij bepaald (nader) bewijsmateriaal had moeten overleggen, uit zichzelf kenbaar moeten maken dat hij bepaald nader bewijs wenst.
(zie noot 141)
(zie noot 142)Het bestuursorgaan had de overtreedster in de bezwaarfase, denkelijk omdat zij stelde vanwege haar psychische toestand niet verwijtbaar gehandeld te hebben, in de gelegenheid gesteld om objectieve en op haar persoonlijk ziende informatie over die psychische toestand over te leggen. Ondanks overlegging van een brief van haar huisarts werd haar bezwaar ongegrond verklaard, omdat een huisarts geen medisch specialist is en de brief slechts verwijzing inhield. De rechtbank oordeelde echter dat de overtreedster voldoende aannemelijk had gemaakt dat haar minder verwijt trof voor de overtreding en dat de bewijslast weer terug was bij het bestuursorgaan. De Afdeling bevestigde die uitspraak en betrok daarbij zelfs een verklaring van een psychiater die pas in hoger beroep was overgelegd, nu die verklaring in combinatie met de eerdere brief van de huisarts belanghebbendes geestelijke toestand ten tijde van de overtreding bevestigde. Deze zaak laat zien dat als het bestuursorgaan op de hoogte is gesteld of geraakt van een relevante bijzondere omstandigheid, hij die daadwerkelijk moet onderzoeken en niet kan volstaan met gelegenheid geven en na gebruikmaking van die gelegenheid het bewijs als onvoldoende aanmerken zonder gelegenheid te geven het door hem onvoldoende geachte bewijs aan te vullen na consultering van de medisch specialist naar wie de overtreedster was verwezen.
(zie noot 143)Zelfs een in hoger beroep overgelegd stuk dat vermoedelijk eerder overgelegd had kunnen worden, werd door u beoordeeld. Als dit een ontwikkeling is, valt die mijns inziens toe te juichen: hoe minder niet-noodzakelijke fuiken in de weg staan aan de materiële waarheidsvinding, hoe beter. Ik merk op dat in deze ontwikkeling zou passen dat - zoals ook in casu is gebeurd - reeds in de uitnodiging voor de zitting of bij aparte brief - een voorlopige bewijslastverdeling aan de partijen kenbaar te maken voor zover daarover twijfel kan bestaan of juist geschil over is, en zo mogelijk een indicatie welk bewijs voldoende kan zijn, zulks om tijdige bewijsvoering te stimuleren (ik weet nog steeds niet van welke feiten ik in deze zaak moet uitgaan) en onaangename verrassingen achteraf - pas bij openbaarmaking van de uitspraak - voor één van beide partijen te voorkomen.
(zie noot 144)omdat de taak van de bestuursrechter niet is om mee te besturen, maar om te toetsen of het bestuursorgaan rechtmatig heeft beslist,
(zie noot 145)en het bestuursorgaan kon bij zijn besluit op bezwaar nu eenmaal geen rekening houden met feiten of rechtsregels van nadien. Dat de omstandigheden zijn gewijzigd sinds het besluit, is dus in beginsel niet van belang voor de bestuursrechter.
(zie noot 146)Dergelijke latere omstandigheden kunnen een destijds rechtmatig besluit niet alsnog onrechtmatig maken.
(zie noot 147)Zo beoordeelt de bestuursrechter soms feiten die na het bestreden besluit zijn voorgevallen als het bestuur die feiten bij het bestreden besluit al had moeten voorzien, als uit die feiten mogelijk volgt dat er geen procesbelang meer is, of omdat latere feiten kunnen bijdragen aan het bewijs van feiten die ten grondslag liggen aan het bestreden besluit (zoals in het boven weergegeven geval van de psychiatrische patiënte). Die uitzonderingen zullen zich bij invorderings- en verhaalbesluiten niet snel voordoen omdat de stelplicht en bewijslast ter zake van bijzondere omstandigheden die van invordering en verhaal kunnen doen afzien, bij de overtreder liggen.
(zie noot 148)Dat is anders als het bijzondere omstandigheden betreft die betrekking hebben op (het nakomen van) de last zelf en waarmee het bestuursorgaan dus bekend had moeten zijn of als het bekend is met bestuurlijke sancties van andere bestuursorganen voor dezelfde gedraging en die samenloop relevant kan zijn. Het bestuursorgaan is immers verantwoordelijk voor een zorgvuldig onderzoek naar de relevante feiten en belangen die hij reeds in de bestuurlijke fase moet betrekken. Als na het besluit blijkt dat de feitelijke onderbouwing onjuist was op onderdelen die tot het bewijsdomein van het bestuursorgaan behoren en het bestuursorgaan had die onjuistheid behoren te kennen, kan dat een reden zijn om niet ex tunc te toetsen. Er kan ook een andere reden zijn om het besluit te vernietigen, waarna de bestuursrechter ex nunc kan beoordelen of hij het geschil finaal kan beslechten.
(zie noot 149)Een overtreder kan het bestuursorgaan ook verzoeken om de invorderingsbeschikking of kostenverhaalbeschikking te herzien wegens gewijzigde omstandigheden ná dat besluit, of verzoeken om van dat besluit terug te komen.
(zie noot 150)Een afwijzing kan echter niet in een lopende procedure tegen het besluit op bezwaar over een invorderingsbeschikking of kostenverhaalbeschikking betrokken worden.
(zie noot 151)Dit kan ingevolge art. 6:19 Awb Pro wél bij intrekking, wijziging of vervanging van het eerdere besluit.
(zie noot 152)De vraag of een bestuursorgaan de betrokken belangen - met name eventuele bijzondere omstandigheden - (voldoende) heeft afgewogen, hoort daar in beginsel niet bij (zie ook 4.11.6).
(zie noot 153)Die vraag betreft de rechtmatigheid van het besluit en daarover gaat de bestuursrechter. Feiten en omstandigheden van ná het besluit kunnen niet in de beoordeling door de civiele rechter worden betrokken, behalve voor zover zij relevant zijn voor (de wijze van) executeren van het dwangbevel of zij een evidente misslag of de schending van een fundamenteel rechtsbeginsel aan het licht brengen (zie ook 4.11.6.). De executierechter heeft zich te baseren op de formele rechtskracht c.q. de onherroepelijkheid van de sanctiebesluiten en van de uitvoeringsbesluiten. Dat is slechts anders als van onherroepelijkheid nog geen sprake is; alsdan moet hij zich baseren op een redelijke prognose van de uitspraak van de bestuursrechter.
(zie noot 154)
6.Het eigendomsgrondrecht
(zie noot 155)Art. 17 EU Pro-Handvest is naar inhoud en strekking gelijk aan art. 1 Eerste Pro Protocol EVRM en moet in overeenstemming daarmee worden uitgelegd (zie art. 52(3) Handvest en de toelichting bij artikel 17).
(zie noot 156)Daarom, en omdat mij geen voor deze zaak specifiek relevante rechtspraak van het HvJ EU over het EU-eigendomsgrondrecht bekend is die iets anders inhoudt dan het EHRM leert, bespreek ik hierna alleen rechtspraak van het EHRM over art. 1 Eerste Pro Protocol EVRM.
(zie noot 157)eveneens betreffende een invordering, maar dan van belastingen:
(zie noot 158)
(zie noot 159)oordeelde die Commissie al dat een overheidsmaatregel niet ‘grossly disproportionate to its aim’ mag zijn. In die zaak was onder meer reden om geen schending van het eigendomsrecht aan te nemen het gegeven dat de nationale rechter rekening had gehouden met de financiële situatie van de belanghebbende. Dat criterium komt terug in recentere rechtspraak over eigendomsrechtschending door niet-uitbetaling van belastingrestituties waarop de betrokkenen recht hebben.
(zie noot 160)
(zie noot 161)
(zie noot 162)
(zie noot 163)
(zie noot 164)
(zie noot 165)
(zie noot 166)Het Hof bevestigde de wide margin of appreciation ook bij de keuze van handhavingsmiddelen en de beoordeling of de gevolgen van handhaving gerechtvaardigd zijn in het algemene belang bij het bereiken van het doel van de overtreden wet:
(zie noot 167)Deze zaak betrof niet alleen het eigendomsgrondrecht, maar ook het recht op persoonlijke levenssfeer, met name het huisrecht (art. 8 EVRM Pro). Het Hof achtte art. 8 EVRM Pro geschonden omdat - kort gezegd - het nationale recht geen proportionaliteitstoets toeliet en de rechtspraak dus geen uitzonderingen (geen 'bijzondere omstandigheden' dus) toeliet op de regel dat illegaal gebouwde woningen - zo nodig op kosten van de overtreder - afgebroken moeten worden, zodat geen rekening kon worden gehouden met de persoonlijke (armoedige en zorgelijke) individuele omstandigheden van de klagers:
(zie noot 168)
(zie noot 169)maar daarover was wel degelijk uitgebreide discussie mogelijk en moest een uitgebreide afweging van omstandigheden worden gemaakt, terwijl een dergelijke schending wel degelijk werd aangenomen, in, bijvoorbeeld, de zaken N.A. and others v. Turkey, waarin de overtreders rechtmatig met de bouw waren begonnen en geen compensatie kregen,
(zie noot 170)en Allard v. Sweden, waarin niet per se illegaal was gebouwd - de overheidsregulering en daarmee het echte algemene belang leken niet zozeer het probleem, maar veeleer de regels voor gemene eigendom als andere mede-eigenaren van de grond (familie) achteraf bezwaar maakten -, waarin de procedure om de situatie te legaliseren niet was afgerond en uitstel van afbraak ontijdig werd geweigerd, en waarin de belangen van derden op grond waarvan werd opgetreden, misschien niet erg sterk waren (het ging in wezen om een familieruzie).
(zie noot 171)
(zie noot 172)terwijl de overtreder de mogelijkheid heeft om verbeuring te voorkomen.
(zie noot 173)
7.Wèlke bijzondere omstandigheden?
(zie noot 174)waarin ik niet inga op draagkracht en sanctiesamenloop omdat ik daarop vervolgens separaat inga in de onderdelen 7.3. en 7.4.
(zie noot 175)en door u gevolgd
(zie noot 176)) is daarnaast vereist dat het algemene belang in die mate is betrokken bij ongedaanmaking van de overtreding dat de kosten ervan redelijkerwijs niet (geheel) voor rekening van de (formele) overtreder kunnen worden gebracht. Uw standaardoverweging luidt:
(zie noot 177)
(zie noot 178)
(zie noot 179)In welke omstandigheden sprake is van sterke betrokkenheid van het algemeen belang is in zijn algemeenheid niet te zeggen, maar toepassing van spoedhandhaving (zoals in het geval van de verkeerd geparkeerde auto) kan daarvan een indicatie zijn, al kan die spoed ook ten onrechte aangenomen worden, hetgeen weer een reden kan zijn voor afzien van kostenverhaal (zie 7.2.8. hieronder).
(zie noot 180)maar u zag wél een tot matiging nopende bijzondere omstandigheid in de niet-verwijtbaarheid van de voor haar minderjarige zoon met gedragsstoornissen verantwoordelijke moeder die al het redelijkerwijs vergbare had gedaan om na te gaan of haar zoon zijn therapeutisch bedoelde taak om een afvalzak weg te brengen correct had uitgevoerd.
(zie noot 181)Het ging in die zaak wel om spoedhandhaving, hetgeen toch op betrokkenheid van het algemeen belang kan wijzen. In een derde zaak over een verkeerd aangeboden huisvuilzak nam u weliswaar niet-verwijtbaarheid aan, maar verbond u daar geen matiging van kostenverhaal aan omdat het algemeen belang niet zodanig bij opruiming was betrokken dat de kosten daarvan redelijkerwijze niet geheel voor rekening van de overtreder zouden moeten komen.
(zie noot 182)Dat niet-verwijtbaarheid er niet toe doet als er geen grote betrokkenheid van het algemeen belang is, kan uit die laatste zaak echter niet opgemaakt worden, nu u in een vierde en recente zaak over weer een afvalzak (kennelijk een bron van bestuursrechtspraak) de verwijtbaarheid wel degelijk beoordeelde en daar dus niet aan voorbij ging op de grond dat niet voldaan was aan het criterium dat het algemene belang sterk was betrokken.
(zie noot 183)Er zijn ook andere uitspraken waaruit lijkt te volgen dat niet-verwijtbaarheid voldoende kan zijn voor matiging of afzien van kostenverhaal.
(zie noot 184)
(zie noot 185)Met name kan beoordeeld worden of het bestuursorgaan niet zonder bezwaar met een goedkoper dwangmiddel kon volstaan en of de gemaakte kosten wel in verhouding staan tot de ernst van de overtreding.
(zie noot 186)In onderdeel 7.3. ga ik separaat in op de draagkracht van de overtreder.
(zie noot 187)U achtte onevenredig het verhaal op een gemeentebestuur van de kosten voor de verwijdering van bij gemeentelijke bluswerkzaamheden geloosd verontreinigd water, nu branden blussen een wettelijk opgedragen taak is en daarbij niet het risico mag worden gelopen dat de voor die taak verantwoordelijke zich terughoudend gaat opstellen in verband met de mogelijkheid dat hij kosten moet vergoeden die bij de uitoefening van die taak ontstaan. Art. 5:5 Awb Pro bepaalt inmiddels dat geen bestuurlijke sanctie wordt opgelegd als voor de overtreding een rechtvaardigingsgrond bestaat; de uitvoering van een wettelijk opgedragen taak is een dergelijke rechtvaardigingsgrond.
(zie noot 188)Dit is anders als er wél een rechtvaardiging is voor het zonder machtiging binnentreden, bijvoorbeeld wegens ernstig en onmiddellijk gevaar voor de veiligheid van personen of goederen.
(zie noot 189)
(zie noot 190)Dat ligt voor de hand als het uitgangspunt is dat, zo mogelijk, een overtreder steeds de reële mogelijkheid geboden moet worden om feitelijke uitoefening van bestuursdwang te voorkomen door zelf de overtreding te beëindigen.
(zie noot 191)Dergelijke omstandigheden, zoals de leeftijd of de gezondheid van een overtreder en de afwezigheid van eerdere overtredingen zullen dus zonder betrokkenheid van het algemeen belang niet snel leiden tot de conclusie dat verhaal onredelijk is.
(zie noot 192)
(zie noot 193)Invordering draagt niet meer bij aan normnaleving als de gedraging na afloop van de begunstigingstermijn is gelegaliseerd, maar is dan nog wel van belang voor de geloofwaardigheid van bestuurlijke sancties. Hij acht legalisering daarom in beginsel geen grond om van invordering af te zien, maar legalisering achteraf kan wel in combinatie met andere omstandigheden invordering onredelijk maken. Die opvatting lijkt de hieronder te bespreken lagere rechtspraak inderdaad te volgen. Onredelijk kan volgens Michiels ook zijn invordering van dwangsommen die zijn verbeurd tussen het verzoek om opheffing van de last wegens ontstane onmogelijkheid om de last uit te voeren en de daadwerkelijke opheffing. Hij noemt verder onenigheid over de vraag of een onduidelijke last is uitgevoerd, de gedeeltelijke uitvoering van een last, en strijd met het gelijkheidsbeginsel of een ander beginsel van behoorlijk bestuur als omstandigheden die van invordering kunnen doen afzien. Ook die opvatting wordt in de lagere rechtspraak gevolgd. Michiels merkt ten slotte op dat de financiële draagkracht van de overtreder weliswaar bij de oplegging van de last onder dwangsom geen rol behoort te spelen omdat de overtreder verbeurte kan voorkomen, maar dat dit anders kan zijn bij de invordering, ook omdat de financiële draagkracht inmiddels kan zijn verminderd.
(zie noot 194)denkelijk omdat overtreders anders risicoloos hun overtreding kunnen voortzetten tot het moment waarop tot invordering wordt besloten.
(zie noot 195)Het is daarom in beginsel niet anders als het om een zeer geringe overschrijding van de begunstigingstermijn gaat.
(zie noot 196)Dat ten tijde van de invordering alsnog een vergunning is verleend of als (ander) concreet zicht op legalisering is ontstaan, is om dezelfde reden in beginsel geen omstandigheid die noopt tot afzien van invordering.
(zie noot 197)
(zie noot 198)nu weliswaar van een overtreder mag worden verwacht dat hij navraag doet als een last niet duidelijk is, maar op het bestuursorgaan de plicht rust om de overtreder duidelijkheid te verschaffen. Een voorbeeld biedt een zaak voor de rechtbank Limburg: onduidelijk was hoe aan de last kon worden voldaan, terwijl het bestuursorgaan uiteenlopende termijnen had gegeven waarbinnen aan de last moest zijn voldaan.
(zie noot 199)
(zie noot 200)De overtreder viel niet te verwijten dat zij een deel van de last niet tijdig had nagekomen omdat daarvoor onderzoek nodig was waarvoor ook informatie die het bestuursorgaan nog in bezit had relevant was, terwijl het bestuursorgaan er bovendien geen rekening mee gehouden had dat na uitvaardiging van de last onder dwangsom de richtlijnen voor bodemonderzoek waren gewijzigd, waardoor de door de overtreder toegepaste methode om gevolg te geven aan de last achteraf bezien wellicht geschikt was.
(zie noot 201)omdat de overtreder om verlenging had kunnen vragen (art. 5:34 Awb Pro). Dit is mijns inziens anders als de onjuiste verzending niet te wijten is aan de overtreder en (i) de dwangsom per tijdseenheid is opgelegd en als gevolg van de onjuiste verzending al een of meer bedragen zijn verbeurd voordat de overtreder van de last kennis kan nemen, of (ii) de overtreder pas na afloop van de enige termijn kennis kan nemen van de opgelegde last, of (iii) de overtreder wel zo snel als redelijkerwijs verlangd kon worden om verlenging van de termijn heeft gevraagd, maar het bestuursorgaan niet tijdig reageert en evenmin de termijn (voorlopig) verlengt.
(zie noot 202)Dat gedurende enige jaren niet is gehandhaafd, waardoor de indruk zou kunnen zijn ontstaan dat handhaving niet meer zou plaatsvinden, is geen grond om van invordering af te zien.
(zie noot 203)Een geslaagd beroep op het gelijkheidsbeginsel levert wel een bijzondere omstandigheid op.
(zie noot 204)
(zie noot 205)In die zaak werden werkzaamheden niet conform een saneringsplan uitgevoerd, maar dat kwam door een gesprongen pomp en aanhoudende vorst, waardoor die pomp niet tijdig operationeel kon zijn, en de overtreder had alle maatregelen genomen die redelijkerwijs van hem verwacht konden worden. De invorderingsbeschikking werd daarom geschorst en in het besluit op bezwaar moest alsnog kenbaar op deze omstandigheid worden ingegaan.
(zie noot 206)inhoudende dat een last onder dwangsom alleen kan worden opgelegd als de overtreder het in zijn macht heeft om de overtreding te beëindigen.
(zie noot 207)Wel eist u dat de overtreder tijdig ex art. 5:34 Awb Pro het bestuursorgaan heeft verzocht de last aan te passen en het bestuursorgaan daar ten onrechte niet (tijdig) op in is gegaan. Het pas achteraf stellen van overmacht is in beginsel te laat.
(zie noot 208)Van relevante overmacht is geen sprake als een overtreder door eigen toedoen, bijvoorbeeld door verkoop van de desbetreffende onroerende zaak ná de lastoplegging, zichzelf in een positie plaatst waarin hij het niet langer in zijn macht heeft om de overtreding te beëindigen.
(zie noot 209)Wél overmacht is vermoedelijk de onrechtmatige inbezitneming van een pand door krakers die het de eigenaar daardoor onmogelijk maken om te voldoen aan de last van het bestuursorgaan dat de anti-kraakbewoners er juist uit wilde hebben die de eigenaar er - kennelijk terecht - in had gezet. De eigenaar had met lange tanden zijn anti-kraakwachten er uit gezet om verdere verbeuring van dwangsommen te voorkomen, met het gevolg dat zijn pand alsnog gekraakt werd.
(zie noot 210)U vernietigde het bestreden invorderingsbesluit omdat het bestuursorgaan deze omstandigheid niet in de belangenafweging had betrokken. Mij ontgaat waarom het bestuursorgaan deze relevante omstandigheid, die deels juist door de last van het bestuursorgaan zelf was ontstaan, negeerde en desondanks invorderde. Mogelijk vertrouwde hij de zaak niet en vermoedde hij dat de krakers mogelijk dezelfde personen waren als de voormalige anti-krakers, maar de gepubliceerde feiten helderen het prima facie curieuze optreden van het bestuursorgaan in dit geval niet op.
(zie noot 211)
(zie noot 212)Evenmin was de gezondheid van een professionele woningverhuurder een bijzondere omstandigheid, noch de omstandigheid dat die verhuurder meerdere aanschrijvingen had ontvangen om maatregelen te treffen om verbeuring van dwangsommen te voorkomen; van hem mocht worden verwacht dat hij noodzakelijke expertise zou inhuren en de noodzakelijke werkzaamheden zo zou plannen dat zij binnen de gegeven termijnen zouden kunnen worden voltooid.
(zie noot 213)Op financiële draagkracht van de overtreder ga ik in onderdeel 7.3. hieronder in.
(zie noot 214)Aan de overtreder was de last opgelegd om asbest in een woning door een gecertificeerd bedrijf te laten saneren volgens de bouwverordening, om de gemeente één week voor aanvang schriftelijk op de hoogte te laten stellen en een onafhankelijk laboratorium na de sanering een eindcontrole uit te laten voeren. Aan deze last was voldaan, zij het dat de overtreder de gemeente niet één week voor aanvang de werkzaamheden had gemeld, maar twee dagen voor aanvang. Het bestuursorgaan wenste de volle dwangsom ad € 25.000 in te vorderen. Gedeeltelijke, maar niet-volledige voldoening aan de last hoeft een bestuursorgaan niet te nopen geheel of gedeeltelijk af te zien van invordering,
(zie noot 215)maar in dit geval zag u wel degelijk grond voor matiging: aan het doel van de last was volledig voldaan en de last kon verdeeld worden in vier delen en ook aan het laatste deel (melding vooraf) was voldaan, zij het niet een week, maar twee dagen tevoren. U volgde daarom de voorzieningenrechter in matiging van de verbeurde dwangsom naar € 10.000. Ik merk op dat ik dat nog steeds opmerkelijk hoog vind als geen significant belang geschaad is door de iets latere - maar nog steeds twee dagen voorafgaande - melding, dat het mij verbaast dat de rechter in twee instanties aan zo’n geval te pas moet komen en dat de vroegere Tilburgse hoogleraar Van Dijck dergelijk overheidsoptreden placht te karakteriseren als "Hoe maak ik vijanden voor het leven?" Maar we kennen de precieze feiten niet.
(zie noot 216)De last onder dwangsom was kennelijk alleen opgelegd omdat niet tijdig werd gereageerd op een verzoek om gegevens bij een vergunningaanvraag om een terras te exploiteren terwijl de ontbrekende gegevens het bestuursorgaan bekend konden zijn, nadien wel waren overgelegd en het terras al vele jaren geëxploiteerd was en exploitatie bij overlegging van de gegevens ook vergund zou worden en inmiddels ook weer was vergund. De rechtbank zag aanleiding het in te vorderen bedrag te matigen.
(zie noot 217)De zaak betrof een last onder dwangsom om het gebruik van een recreatiewoning te beëindigen. Bij gebrek aan gebruik van rechtsmiddelen moest van de rechtmatigheid van die last worden uitgegaan. Op dezelfde dag deed u echter uitspraak in vijf identieke zaken waarin de eigenaren wél in bezwaar en beroep waren gekomen en waarin u vaststelde dat de hen opgelegde identieke lasten onrechtmatig waren. Onder die omstandigheden vond u dat in redelijkheid niet van de bevoegdheid tot invordering gebruik gemaakt kon worden. Sanders ziet hierin een opzij zetten van de formele rechtskracht van de last en daarmee is hij het niet eens.
(zie noot 218)Ik lees in de uitspraak echter dat u juist uitgaat van de formele rechtskracht van de opgelegde last en slechts de rechtmatigheid van de invorderingsbeschikking beoordeelt. Ik lees er in dat u die beschikking onrechtmatig acht wegens misbruik van bevoegdheid. Maar ook als men er een terzijdestelling van formele rechtskracht in moet lezen, kan de uitspraak slechts toegejuicht worden. Een andere uitkomst lijkt mij aan de burger niet uit te leggen. Het ontgaat mij hoe minimale redelijkheid het handhavingsgezag van de overheid zou kunnen aantasten. Ik hoop dat het desbetreffende bestuursorgaan na kennisneming van uw uitspraak in de vijf andere zaken ook zonder uw ingrijpen zou hebben afgezien van invordering. Ik sluit ook geenszins uit dat als het tot een executiegeschil zou zijn gekomen zonder dat de bestuursrechter zich over de invordering had kunnen uitlaten, de executierechter tot misbruik van bevoegdheid zou hebben geconcludeerd (art. 3:13 BW Pro), gegeven een ontbrekend rechtmatig belang bij invordering. Dat een geschil eens ten einde moet komen kan mijns inziens geen rechtvaardiging zijn voor het evident ten onrechte opeisen van een groot geldbedrag indien de materiële niet-overtreder, zoals in Nederland, maar zes weken de kans heeft om te beseffen dat hij een geschil had moeten beginnen hoewel hij gelijk heeft.
(zie noot 219)(als de kosten overigens verhaald kunnen worden).
(zie noot 220)De financiële en (andere) persoonlijke omstandigheden van de dwangsomadressaat, inclusief de omstandigheid dat hij niet de financiële middelen heeft om aan de last te voldoen of om de dwangsom te betalen, spelen evenmin een rol bij de bepaling van de hoogte van de dwangsom.
(zie noot 221)De vraag resteert dan of zijn financiële draagkracht wél een rol kan spelen bij de dwangsominvordering of het kostenverhaal. Ik maak eerst enige opmerkingen die zowel dwangsominvordering als kostenverhaal betreffen, met name over de beslagvrije voet en de Wet schuldsanering natuurlijke personen, om vervolgens separaat op eventuele verschillen tussen dwangsominvordering en kostenverhaal in te gaan.
(zie noot 222)maar daaruit volgt niet dat financiële onmacht geen grond voor matiging of afzien kan zijn, nu in de desbetreffende zaken niet was bewezen dat de financiële draagkracht inderdaad te beperkt was. Ook recent overwoog u nog dat financiële omstandigheden in beginsel niet - dus het kán wel - als bijzondere omstandigheid gelden die grond biedt om geheel of gedeeltelijk van kostenverhaal af te zien.
(zie noot 223)Hoewel u in 2013 overwoog dat als invordering voor de overtreder tot een zeer problematische financiële situatie zou leiden, zulks geen bijzondere omstandigheid is, volgt uit een uitspraak uit hetzelfde jaar dat dit niet betekent dat financiële omstandigheden geen rol kunnen spelen. U beoordeelde de overgelegde inkomensgegevens wel degelijk inhoudelijk en concludeerde dat de financiële gevolgen van de invordering niet zodanig waren dat van invordering had moeten worden afgezien.
(zie noot 224)Dat sloot aan bij eerdere uitspraken, waarin u overwoog dat de overtreder niet aannemelijk had gemaakt dat zij het in te vorderen bedrag niet kon betalen, c.q. dat de stelling dat de overtreder de dwangsom niet kan betalen geen grond voor matiging is, reeds omdat overlegging van drie loonstrookjes daarvoor onvoldoende onderbouwing is.
(zie noot 225)Ook in een uitspraak van 13 maart 2013 oordeelde u dat de overtreder niet aannemelijk had gemaakt dat hij door de invordering zo onevenredig financieel werd getroffen dat het bestuursorgaan daarom van invordering had moeten afzien.
(zie noot 226)En op 22 juli 2015 overwoog u dat een beroep op geringe draagkracht in de invorderingsfase in beginsel niet voor honorering in aanmerking komt, maar beoordeelde u vervolgens toch of er bijzondere omstandigheden aanwezig waren om van dat uitgangspunt af te wijken,
(zie noot 227)waarbij u van belang achtte dat het bestuursorgaan desgewenst een betalingsregeling kan vaststellen die voorziet in gespreide betaling.
(zie noot 228)Sanders
(zie noot 229)signaleert echter dat de accuratesse van beide veronderstellingen dubieus is en dat juist de rol van de overheid als schuldeiser een van de belangrijkste redenen is waarom de beslagvrije voet niet goed functioneert.
(zie noot 230)Wat de toegang tot de WSNP betreft, is het onduidelijk of een dwangsomverbeurder voldoet aan de eis ex art. 288(1) Fw dat hij ten aanzien van het ontstaan of onbetaald laten van zijn schulden ‘te goeder trouw’ is geweest. Ik meen dat als een overtreder aannemelijk maakt dat hij geen liquidabel vermogen (meer) heeft en zijn beslagvrije voet aangetast wordt, al dan niet doordat meer overheidslichamen van hem invorderen, invordering in zoverre achterwege moet blijven. Dan staat immers vast dat hij beneden het bestaansminimum wordt gedrukt en lijkt mij sprake van een excessive burden c.q. een fundamental interference with his financial position (zie onderdeel 6. hierboven) Ook de minvermogende overtreder die aannemelijk maakt dat hij geen toegang heeft tot de WSNP omdat hij de dwangsom verbeurd heeft of omdat jegens hem bestuursdwang is toegepast, zal beschermd moeten worden, nl. tegen levenslang afbetalen. Ook andere toegangsbelemmeringen tot de WSNP kunnen grond zijn voor matiging of afzien als invordering/verhaal leidt tot onredelijk lang afbetalen en leven op of onder het bestaansminimum.
(zie noot 231)Ook De Jonge acht van belang of het inkomen door de invordering beneden de beslagvrije voet komt en meent dat als een betalingsregeling de beslagvrije voet niet respecteert, dat een bijzondere omstandigheid kan zijn die tot matiging kan nopen omdat de overtreder dan in zijn bestaan wordt bedreigd.
(zie noot 232)
(zie noot 233)Uit het gegeven dat de wetgever maximaal drie jaar acceptabel acht voor de schuldsaneringsregeling - gedurende welke de schuldenaar maximaal zijn best moet doen om af te lossen
(zie noot 234)- volgt dat ook het langer op een bestaansminimum drukken (en het daarmee bij voorbaat financieel zinloos maken van elk initiatief in het leven) onevenredig kan zijn. Als voorzienbaar is dat een overtreder door de invordering of het kostenverhaal onder de beslagvrije voet wordt gedrukt of geen toegang zal hebben tot de WSNP en onredelijk lang moet afbetalen en leven op het bestaansminimum, moet het bestuursorgaan mijns inziens pogen een redelijke betalingsregeling te treffen. Het ligt, zoals gezegd, op de weg van de overtreder om een en ander aannemelijk te maken omdat er anders bij de invorderingsbeschikking of kostenverhaalbeschikking geen rekening mee kan worden gehouden.
(zie noot 235)Een betalingsregeling ligt dan meer in de executiesfeer, althans in de onderhandelingssfeer. Behalve de gezichtspunten dat niemand beneden het bestaansminimum gedrukt moet worden en in beginsel niet heel veel langer dan drie jaar op dat minimum gezet moet worden, valt er verder niet zoveel algemeens te zeggen over betalingsregelingen. Ik merk op dat een betalingsregeling ex art. 4:125 Awb Pro betrokken kan worden in het bezwaar, beroep of hoger beroep tegen de invorderingsbeschikking en de kostenverhaalbeschikking.
(zie noot 236)
(zie noot 237)Bij Sanders
(zie noot 238)heb ik wel algemene criteria gevonden die er op neerkomen dat bij rechtspersonen financiële omstandigheden in uitgangspunt geen reden zijn voor matiging of afzien en bij natuurlijke personen mogelijk wel, nu die niet ophouden te bestaan bij faillissement. Maar zelfs bij natuurlijke personen, wier schulden niet teniet gaan bij faillissement, hoeft volgens Sanders het niet goed functioneren van de beslagvrije voet geen reden te zijn om te matigen, omdat de bestuursrechter er niet van uit mag gaan dat de wet niet goed wordt uitgevoerd en de deurwaarder zijn werk niet goed zou doen (dat moet de executierechter zo nodig corrigeren). Zijns inziens moet de bestuursrechter er voorts van uitgaan dat de overtreder toegang heeft tot de WSNP, al geeft hij aan dat onduidelijk is of dwangsomverbeurders en kostenveroorzakers wel 'te goeder trouw' zijn ter zake van het ontstaan van de schulden (zie 7.3.3. hierboven). Ik acht zijn uitgangspunten streng.
(zie noot 239)Het gaat in beginsel om omkeerbare (geldelijke) gevolgen. Pas als een persoon onomkeerbaar in zijn positie bedreigd wordt, is er aanleiding voor schorsing.
(zie noot 240)Het risico op faillissement van een bedrijf lijkt beschouwd te worden als een (ondernemers)risico dat voor rekening van de overtreder komt.
(zie noot 241)
(zie noot 242)zie ik een verschil in karakter en effect tussen dwangsominvordering (afschrikkingsmiddel; windfall profit voor de overheid) en kostenverhaal (schadevergoeding; voorkoming van nadeel voor de gemeenschap), met name als de kosten al verhaald zijn of kunnen worden. Het zal daarom mijns inziens uitzonderlijker zijn dat financiële omstandigheden aanleiding zouden moeten geven voor het afzien van kostenverhaal dan dat zij aanleiding zouden moeten zijn om van invordering af te zien. Andersom geformuleerd: bij afweging van het algemene belang en het individuele belang kan dwangsominvordering eerder disproportioneel (een excessive burden) zijn dan kostenverhaal. Een faillissement als consequentie kan nog wél proportioneel zijn ten behoeve van kostenverhaal waar het niet meer proportioneel is ten behoeve van dwangsominvordering, nu dwangsominvordering - met name indien de kosten al wel verhaald zijn of kunnen worden of de overtreding alsnog is beëindigd - alleen nog de geloofwaardigheid van de overheid dient, met name een afschrikkingseffect. Zij dient daarmee geen concreet herstel (de dwangsom is immers ineffectief gebleken), maar abstractere doelen, met name generale preventie en daarmee een doel met een licht punitieve geur. Van voorkoming van nadeel voor de gemeenschap is alleen in abstracto sprake (maar dat is geenszins onbelangrijk; zie de zaak Ivanova en Cherkezov in 6.8. hierboven); in concreto is sprake van een voordeel voor de overheid dat geen wezenlijk ander effect heeft dan dat van een boete. Dat impliceert mijns inziens een groter risico op een excessive burden c.q. fundamental interference with his financial position dan bij kostenverhaal.
(zie noot 243)Komen zij wel op hetzelfde neer, dan is hun cumulatie niet rechtmatig. De cumulatie van herstelsancties moet volgens de wetgever ook overigens steeds een evenredigheidstoets kunnen doorstaan.
(zie noot 244)
(zie noot 245)
(zie noot 246)en (ii) bij overtreding van voorschriften die niet een zodanige samenhang vertonen omdat zij een verschillend doel kennen en/of een verschillend belang beschermen, als die herstelsancties in wezen hetzelfde bevel inhouden.
(zie noot 247)
(zie noot 248)De wetgever wenste echter uitdrukkelijk wél volgtijdige oplegging van herstelsancties mogelijk te maken,
(zie noot 249)hetgeen, gezien het karakter en effect van een last onder dwangsom en een last onder bestuursdwang (zie onderdeel 4.5.1. hierboven) ook voor de hand ligt: tenzij snel ingrijpen vereist is, zal eerst gepoogd worden de overtreder zelf de overtreding ongedaan te laten maken door hem een last onder dwangsom op te leggen en als dat niet werkt, vervolgens een last onder bestuursdwang, om, als ook dat niet werkt, zélf in te grijpen op kosten van de overtreder. Daarbij kan desgeraden na een eerste ineffectieve last onder dwangsom nog een tweede of derde last onder (hogere) dwangsom worden tussengevoegd.
(zie noot 250)
(zie noot 251)U acht deze schuldstapeling op zichzelf niet problematisch:
(zie noot 252)
(zie noot 253)betalen. Doet hij dat niet, dan zal een bestuursorgaan, gezien de korte verjaringstermijn van art. 5:35 Awb Pro (één jaar om tot feitelijke invordering over te gaan), vrij snel daarna een invorderingsbeschikking nemen en feitelijk invorderen. Na verloop van de (laatste) termijn van een last onder dwangsom en een eventuele daarop volgende last onder bestuursdwang en eventueel dáár weer op volgende feitelijke bestuursdwang kan enige tijd zitten. Gezien het ontbreken van een termijn voor het nemen van een kostenverhaalbeschikking, kan die beschikking geruime tijd op zich laten wachten. Het kan dus zijn dat bij het nemen van de kostenverhaalbeschikking, c.q. van het besluit op het daartegen gerichte bezwaar, de verbeurde dwangsommen al betaald zijn. Gezien hun hoogte (hoger dan de verwachte kosten; zie boven) zijn daarmee doorgaans de kosten van bestuursdwang al ruim gedekt en heeft het bestuursorgaan daarenboven financieel voordeel. Dan rijst, afhankelijk van de overige omstandigheden, zoals verwijtbaarheid van de overtreding en van het niet-voldoen aan de last en de ernst van de overtreding, de vraag naar de proportionaliteit van een beschikking tot invordering van kosten die in feite reeds gedekt zijn door een betaling van de overtreder. Ik kan mij voorstellen dat er omstandigheden zijn waarin, ter vermijding van een excessive individual burden, de nog te vorderen kosten verrekend worden met de reeds geïncasseerde hogere dwangsom. De overtreding is immers reeds budgettair (ruim) voordelig ongedaan gemaakt.
8.Nog enige algemene beschouwingen
(zie noot 254)gaat in het algemeen echter uit van drie fasen, ook bij bestuursdwang, en ook ik zal dat doen.
(zie noot 255)Hoe goed dat argument ook is. Dat is justitiabelen niet steeds uit te leggen. Deze stand van zaken zal vooral bestuursorganen, juristen en uiteraard bepaalde derde-belanghebbenden aanspreken.
(zie noot 256)bijvoorbeeld, oordeelde de Hoge Raad dat in de latere procedure over de aanslag weliswaar de rechtmatigheid van een verzoek om informatie van de fiscus niet meer aan de orde gesteld kan worden als een eerdere informatiebeschikking van de inspecteur onherroepelijk is geworden, maar dat wel degelijk toch alsnog de vraag aan de orde gesteld kan worden of de belanghebbende aan dat verzoek heeft voldaan en zo niet, of dat de omkering van de bewijslast rechtvaardigt. Uit HR BNB 2011/60
(zie noot 257)en HR BNB 2011/17
(zie noot 258)blijkt dat de belastingplichtige in een procedure tegen een latere aanslag niet de formele rechtskracht tegengeworpen kan worden van een eerdere fiscale-eenheidsbeschikking of een eerdere geruisloze-inbrengbeschikking waartegen hij destijds geen bezwaar heeft gemaakt. Ondanks de formele rechtskracht van die eerdere beschikking kan hij ook elk onderdeel van de aanslag aanvechten dat terug te voeren is op die eerdere niet-bestreden beschikking. Een zeer korte bezwaartermijn gecombineerd met de leer van de formele rechtskracht zou anders justitiabelen nopen veiligheidshalve steeds tegen alles bezwaar te maken en beroep in te stellen, hetgeen het tegengestelde effect van de gewenste rechtszekerheid zou hebben. In het belastingrecht was de wetgever daadwerkelijk gedwongen om een zogenoemde massaal-bezwaarprocedure in te voeren (art. 25c-25f AWR), nu burgers zich inderdaad regelmatig door de leer van de formele rechtskracht en de korte bezwaartermijn gedwongen voelen om massaal hun zeer korte rechtsmiddeltermijnen veilig te stellen, laatstelijk in kennelijk tienduizenden procedures tegen de box 3 heffing over niet-bestaand spaargeldrendement.
(zie noot 259)en HR NJ 1992/788
(zie noot 260): de ontvanger van rijksbelastingen behoort niet alle aanslagen die de inspecteur hem ter hand stelt klakkeloos in te vorderen, maar is op grond van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur verplicht zich in daartoe aanleiding gevende gevallen af te vragen of de aanslag niet (te) willekeurig is opgelegd en invordering daarom in strijd zou komen met die algemene beginselen.
(zie noot 261)verdedigd wordt dat die gezichtspunten niet of nauwelijks ter zake doen in fase (i). De rechtstoepassing, met name als die grimmig wordt, moet zo mogelijk het rechtsgevoel van justitiabelen blijven aanspreken. Criteria bij uitstek daarvoor zijn - nu het om sancties gaat - verwijtbaarheid en draagkracht. Voor rechtsmachtsverdelingskwesties hoeft mijns inziens niet gevreesd te worden, nu de fasen (i) en (ii) zich beide voor dezelfde bestuursrechter afspelen en ook de Awb zelf die twee fasen soms inéén vlecht (art. 5:31c en 5:39 Awb). Ik wijs in dit kader ook op de algemene roep om (meer) toepassing in het bestuursrecht van het - ook in Straatsburg en ook in het EU-recht allesoverheersende - evenredigheidsbeginsel.
(zie noot 262)En ik wijs ook op het gegeven dat, juist als gevolg van de beginselplicht tot handhaving (en uw beperkte toelating van uitzonderingen op invordering en verhaal), de invorderingsbeschikking en de verhaalbeschikking verdacht veel lijken op gebonden beschikkingen, hetgeen mijns inziens impliceert dat de rechter meer boven op het bestuur kan gaan zitten - met een evenredigheidsbeoordeling - dan bij (echt) discretionaire beschikkingen. Ik juich dus ook toe - zoals boven (7.2.23.) al bleek - uw oordeel in de zaak over de matiging van invordering van een dwangsom in verband met een recreatiewoning die helemaal niet onrechtmatig werd bewoond door misbruik van bevoegdheid aan te nemen,
(zie noot 263)evenals uw hierboven niet besproken recente relativering van formele rechtskracht over de band van een evenredigheidstoetsing door de rechtmatigheid van een subsidieverplichting (een salarisnormering) in een onaantastbaar geworden verleningsbeschikking toch te beoordelen in het kader van het besluit tot subsidievaststelling dat leidde tot terugvordering met onevenredige gevolgen.
(zie noot 264)Ik acht de drie traditionele beperkte échappatoires uit de formele rechtskracht ((i) de overheid heeft de justitiabele op het verkeerde been gezet met betrekking tot zijn rechtsmiddelen,
(zie noot 265)(ii) de overheid erkent de onrechtmatigheid,
(zie noot 266)en (iii) schending van een fundamenteel rechtsbeginsel in strijd met art. 6 EVRM Pro
(zie noot 267)) vrij krap in geval van ketenbesluitvorming, met name in geval van invordering van dwangsommen op basis van formele rechtskracht.
(zie noot 268)liet de civiele kamer van de Hoge Raad een dergelijke ongebreidelde dwangsom niettemin toe. De belanghebbende had niet voldaan aan een civiele veroordeling onder dwangsom tot verstrekking aan de fiscus van informatie over buitenlandse bankrekeningen (in het belastingrecht bestaat geen bestuurlijke dwangsom omdat daar de omkering en verzwaring van de bewijslast nauwkeuriger en even effectief werd geacht). Hij had daardoor het maximum ad € 300.000 verbeurd van een dwangsom van € 2.000 per dag. De voorzieningenrechter legde op vordering van de Staat een nieuwe dwangsom op ad € 100.000 voor de eerste drie maanden en € 10.000 voor elke volgende dag; zonder maximum. De vraag was of zulks (i) niet (toch) een strafmaatregel is in plaats van een prikkel tot nakoming en (ii) disproportioneel is. De Hoge Raad liet in dit geval een dergelijke onbeperkte dwangsom toe, nu aangenomen moest worden dat de belanghebbende wel kon, maar niet wilde voldoen aan de vordering, de eerdere aanzienlijke dwangsom kennelijk onvoldoende prikkel was geweest en onduidelijk was hoe groot het financiële belang was dat de belanghebbende had bij het niet-voldoen aan de vordering. Van een punitieve sanctie achtte de Hoge Raad geen sprake omdat aangenomen moest worden (dat had het Hof feitelijk geoordeeld) dat de belanghebbende verbeuring kon voorkomen door aan de vordering te voldoen. Voor het overige verwees de Hoge Raad de belanghebbende naar de executierechter, waar hij aan de orde kan stellen dat hij aan het bevel heeft voldaan en waar op de Staat de bewijslast rust dat de dwangsommen zijn verbeurd, en naar de mogelijkheid om ex art. 611d Rv. opheffing van de dwangsom te vorderen.
9.Toepassing op de casus
(zie noot 269)
(zie noot 270)komen ze er beide op neer dat [appellant] het afval fatsoenlijk moest afvoeren. Een dergelijke dubbele last tot grotendeels hetzelfde lijkt mij volgens de boven geciteerde wetsgeschiedenis onaanvaardbaar want onevenredig.
(zie noot 271)Als blijkt dat [appellant] door de gemeente Hardenberg inderdaad is aangesproken voor dwangsommen die zijn verbeurd in de periode waarin ook de last onder dwangsom van de staatssecretaris van kracht was, is matiging van de invordering van de op basis van het besluit van 7 juli 2015 verbeurde dwangsom aangewezen met het bedrag aan dwangsommen dat [appellant] gedurende die samenloop jegens de gemeente heeft verbeurd. Het lijkt er op dat 9 dwangsommen ad € 1.500 is in totaal € 13.500 verbeurd zijn in de samenloopperiode 7 t/m 15 juli 2015. Overigens had het mijns inziens, mede gezien de inhoud van de briefwisseling tussen de gemeente en ILT, wellicht voor de hand gelegen dat de gemeente haar dwangsomlast zou hebben beëindigd toen die van de staatssecretaris inging.
10.Conclusie; antwoord op uw vragen
Staatsraad Advocaat-Generaal