De rechtbank Rotterdam behandelde de zaak tegen verdachte die werd verdacht van diefstal en heling van acht zeecontainers met daarin ongeveer 191.000 kilogram ferro-nikkel. De containers werden op 26 juni 2014 zonder toestemming opgehaald van de Euromax terminal en via medeverdachte naar verschillende locaties vervoerd en doorverkocht.
De officier van justitie eiste aanvankelijk vrijspraak voor het primaire ten laste gelegde feit, maar veroordeelde verdachte voor opzetheling en witwassen. De rechtbank oordeelde echter dat het bewijs niet wettig en overtuigend was voor het primaire feit en sprak verdachte vrij zonder nadere motivering. Ook de subsidiaire tenlasteleggingen werden vrijgesproken.
De rechtbank nam de verklaringen van verdachte en de overgelegde stukken in acht, waaronder betalingsbewijzen en verklaringen over de gebruikte terminologie op facturen. De contante betalingen en de waardeverschillen werden niet als bewijs gezien dat verdachte wist of had moeten vermoeden dat het materiaal gestolen was. De rechtbank wees ook de vordering van de benadeelde partij af wegens niet-ontvankelijkheid.
Ten slotte gelastte de rechtbank de teruggave van in beslag genomen geldbedragen aan verdachte en sprak verdachte vrij van alle ten laste gelegde feiten.