De rechtbank Rotterdam heeft op 10 augustus 2017 uitspraak gedaan in een zaak waarin de officier van justitie een ontnemingsvordering instelde tegen de veroordeelde. Deze vordering betrof het wederrechtelijk verkregen voordeel uit strafbare feiten waaronder oplichting, valsheid in geschrift en verduistering. Het voordeel werd geschat op € 105.381,67.
De benadeelde partij had al een vordering tot hetzelfde bedrag toegewezen gekregen door de rechtbank. De verdediging stelde dat, indien de vordering van de benadeelde partij wordt toegewezen, de ontnemingsvordering op nihil moet worden gesteld op grond van artikel 36e lid 9 Sr. De rechtbank bevestigde dit standpunt en wees de ontnemingsvordering af.
De uitspraak volgt op de veroordeling van de veroordeelde voor meerdere strafbare feiten. De rechtbank achtte het wederrechtelijk verkregen voordeel bewezen en sloot aan bij het toegewezen bedrag aan de benadeelde partij. Hierdoor was een dubbele toewijzing niet aan de orde. De beslissing is gebaseerd op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht.