Uitspraak
Rechtbank Rotterdam
1.Onderzoek op de terechtzitting
2.Tenlastelegging
3.Eis officier van justitie
- bewezenverklaring van het primair ten laste gelegde;
- veroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden, waarvan 3 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaar, alsmede een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 3 jaar, verminderd met de duur van de invordering en inhouding van het rijbewijs op grond van artikel 164 van Pro de Wegenverkeerswet 1994 (hierna: WVW 1994).
4.Waardering van het bewijs
Met betrekking tot de vraag of alsdan een bewezenverklaring kan volgen voor de subsidiair ten laste gelegde overtreding van artikel 5 van Pro de WVW 1994 heeft de verdediging zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
Voorts is door de verdediging een strafmaatverweer gevoerd, waarbij verzocht is rekening te houden met het feit dat het slachtoffer ten onrechte geen voorrang heeft verleend aan de verdachte.
a. De verdachte reed in de personenauto van het merk Audi, type A4 Avant Quattro, op de als voorrangsweg aangeduide [adres 2] , komende vanuit [adres 4] en rijdende in de richting van [adres 5] ;
Anders dan de verdediging is de rechtbank, gelet op het vorenstaande, van oordeel dat tussen de aan de verdachte verweten gedraging - het met extreem hoge snelheid naderen van een (brom)fietsersoversteekplaats - en het ongeval, oorzakelijk verband bestaat. De rechtbank merkt de gedragingen van de verdachte aan als aanmerkelijk onoplettend, onvoorzichtig en onachtzaam. Er is voorts sprake van aanmerkelijke verwaarlozing van de te dezen geboden zorgvuldigheid, zodat wettig en overtuigend kan worden bewezen dat het aan de schuld van de verdachte is te wijten dat het verkeersongeval heeft plaatsgevonden.
Voor zover hiermee is bedoeld te betogen, dat het slachtoffer (mede) schuldig is geweest aan het ontstaan van het ongeval overweegt de rechtbank, dat slechts in geval van zeer bijzondere omstandigheden medeschuld aan de zijde van het slachtoffer de schuld aan de zijde van de verdachte opheft. Van zodanige omstandigheden is de rechtbank niet gebleken.
5.Strafbaarheid feit
6.Strafbaarheid verdachte
7.Motivering straffen
21 augustus 2017 met betrekking tot de persoon van de verdachte, waaruit blijkt dat hij niet eerder is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten.
1 november 2016. Geconcludeerd is dat de verdachte zijn leven in het algemeen op orde heeft. Hij heeft spijt getoond met betrekking tot het ongeval en het ontbreekt hem niet aan zelfinzicht. Het risico op herhaling is dan ook ingeschat als laag. De reclassering acht een behandeling, gericht op het beperken van impulsief gedrag, geïndiceerd teneinde de kans op herhaling nog verder te verkleinen. Geadviseerd is om het jeugdstrafrecht toe te passen en aan de verdachte een werkstraf op te leggen in combinatie met voorwaardelijke jeugddetentie. Tevens is de rechtbank in overweging gegeven om aan de verdachte een ontzegging van de rijbevoegdheid op te leggen.
8.Toepasselijke wettelijke voorschriften
9.Bijlagen
10.Beslissing
gevangenisstraf voor de duur van 3 maanden,
de bevoegdheid motorrijtuigen te besturenvoor de tijd van
3 (drie) jaren;
240 (tweehonderdveertig) uren, waarbij de Reclassering Nederland dient te bepalen uit welke werkzaamheden de taakstraf dient te bestaan;
120 dagen.