Eiser, eigenaar en gebruiker van een onroerende zaak, kreeg aanslagen rioolheffing opgelegd door de heffingsambtenaar van de gemeente Sliedrecht voor het belastingjaar 2015. Verweerder handhaafde deze aanslagen bij uitspraak op bezwaar. Eiser stelde dat de aanslagen onbevoegd waren opgelegd omdat de bevoegdheid tot heffing was overgedragen aan het openbaar lichaam Drechtsteden.
De rechtbank oordeelde dat op grond van de Gemeentewet en de gemeenschappelijke regeling Drechtsteden de heffingsambtenaar van Drechtsteden exclusief bevoegd is voor het opleggen van de rioolheffing. De aanslagen opgelegd door de gemeente Sliedrecht waren daardoor onbevoegd en konden niet in stand blijven. Het bevoegdheidsgebrek werd niet gepasseerd omdat het niet was geheeld.
Daarnaast werd vastgesteld dat de procedure onredelijk lang had geduurd, met een overschrijding van ongeveer zes maanden van de redelijke termijn. Op grond van jurisprudentie werd eiser een immateriële schadevergoeding toegekend van € 500,-, waarvan € 333,- voor de bezwaarfase toe te rekenen aan verweerder en € 167,- aan de Staat voor de beroepsfase. Verder werden proceskosten vergoed en het betaalde griffierecht terugbetaald.
De rechtbank verklaarde het beroep gegrond, vernietigde het bestreden besluit en de aanslagen, en veroordeelde verweerder en de Staat tot vergoeding van immateriële schade en proceskosten.