De rechtbank Rotterdam behandelde een huiselijk geweldzaak waarin verdachte werd beschuldigd van mishandeling van zijn levensgezel op 8 oktober 2017. De zaak werd behandeld door de meervoudige strafkamer in het kader van een pilot met digitale procesdossiers. De verdachte en de aangeefster hadden een conflict waarbij over en weer geweld werd gebruikt, maar de rechtbank kon niet vaststellen wie het geweld initieerde of dat het geweld van verdachte disproportioneel was.
De rechtbank oordeelde dat het ten laste gelegde feit niet wettig en overtuigend was bewezen en sprak de verdachte vrij. De vrijspraak was gebaseerd op de inhoudelijke beoordeling van de bewijsmiddelen, zonder dat het digitale karakter van het dossier een rol speelde in de bewijswaardering.
Daarnaast gaf de rechtbank een uitgebreide beschouwing over het digitale procesdossier, waarbij het onderscheid werd gemaakt tussen het digitaal politiedossier en het procesdossier zoals aangeleverd aan de rechtbank. De rechtbank besprak de wettelijke basis, de betrouwbaarheid van digitale handtekeningen, de integriteit van digitale documenten via hashwaardes, en de verzending van het dossier via beveiligde elektronische kanalen.
De rechtbank concludeerde dat de vorm van het dossier (digitaal of papier) geen invloed heeft op de inhoudelijke geloofwaardigheid van verklaringen, maar dat de integriteit en authenticiteit van digitale stukken zorgvuldig moeten worden gewaarborgd. De rechtbank wees ook op het belang van controleerbaarheid van identiteitsverificatie bij digitale ondertekening.
Ten slotte wees de rechtbank de vordering tot tenuitvoerlegging van de voorwaardelijke straf uit een eerdere veroordeling af, omdat niet kon worden vastgesteld dat verdachte de voorwaarden had overtreden.