Uitspraak
Rechtbank Rotterdam
uitspraak van de meervoudige kamer van 16 november 2017 in de zaak tussen
DB Cargo Nederland N.V., te Utrecht, eiseres,
de staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu, verweerder,
Procesverloop
Overwegingen
Verweerder heeft eveneens toegelicht dat de uitrol van ERTMS in ieder geval niet vóór 2024 zal plaatsvinden. Die uitrol zal daarmee dus na het verstrijken van de geldigheidsduur van de VVI plaatsvinden. Bovendien zal die uitrol volgens de tekst van de bestreden voorwaarde plaatsvinden na de uitrol van de upgrade van het EBI Cab 2000 on-board systeem naar de Baseline 3 specificatie waarmee de door ProRail geconstateerde ‘issues’ met betrekking tot de ERTMS-applicatie voor de inbouw waarvan de VVI is afgegeven zullen worden opgelost. De rechtbank begrijpt daaruit dat de tekortkomingen aan de ERTMS-applicatie die door ProRail zijn geconstateerd zullen zijn opgelost voordat ERTMS verder zal worden uitgerold in Nederland. Zoals verweerder ter zitting heeft bevestigd, dient de voorwaarde in het licht van het voorgaande geen enkel doel. Tegelijkertijd roept de voorwaarde, mede door haar formulering, rechtsonzekerheid op voor eiseres, die het gebruik van de DE 6400 op baanvakken waarop ERTMS al is uitgerold (de Betuweroute) alleen op grond van de VVI kan voortzetten. Verweerder heeft de voorwaarde echter gehandhaafd omdat, zoals verweerder ter zitting heeft toegelicht, Bombardier deze zelf aanbood en verweerder geen bezwaar tegen de voorwaarde had. Verweerder heeft daarmee miskend dat niet alleen Bombardier belanghebbende bij afgifte van de VVI was, maar dat ook eiseres dat is evenals andere houders van spoorvoertuigen van het type DE 6400. Bovendien heeft verweerder miskend dat op grond van artikel 36, achtste lid, van de Spoorwegwet aan een VVI alleen de voorschriften en beperkingen kunnen worden verbonden die noodzakelijk zijn voor de verenigbaarheid van het spoorvoertuig met de hoofdweginfrastructuur. Verweerder kan daarom niet klakkeloos de door een aanvrager voorgestelde beperkingen aan een VVI verbinden maar dient, nadat alle belanghebbenden daarover zijn gehoord, zelf te beoordelen welke voorschriften en beperkingen noodzakelijk zijn voor de verenigbaarheid van het spoorvoertuig met de hoofdweginfrastructuur.
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;
- herroept het primaire besluit voor zover daarbij aan de VVI als voorwaarde is verbonden: “Indien de ERTMS uitrol planning door het ministerie van IenM wordt gewijzigd, komen de (aanvullende) vergunningen voor indienststelling met betrekking tot inzet onder ERTMS-treinbeveiliging 6 maanden hierna te vervallen, tenzij ILT en Bombardier Transportation voor het verstrijken van deze termijn een nieuwe overeenstemming over de behandeling en afhandeling van bovengenoemde Problem Reports bereiken.”;
- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit;
- bepaalt dat verweerder aan eiseres het betaalde griffierecht van € 334,- vergoedt.
mr. S.A. de Vries, leden, in aanwezigheid van mr. mr. M. Traousis - van Wingaarden, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 16 november 2017.