Eiser, oorspronkelijk werkzaam als receptionist (schaal 5), werd in het kader van de reorganisatie Politiewet 2012 per 1 juli 2016 geplaatst als functievolger in de functie Medewerker Huisvesting, Service en Middelen C. Eiser maakte bezwaar tegen deze plaatsing en stelde dat hij geplaatst had moeten worden in de hogere functie Medewerker Techniek B (schaal 7), mede omdat hij technische kennis bezit en werkzaamheden verrichtte die niet terugkeren in de toegewezen functie.
De plaatsing vond plaats op basis van de functievergelijking zoals vastgelegd in het Besluit algemene rechtspositie politie (Barp) en het Landelijk Sociaal Statuut (LSS), waarbij de LFNP-functie als uitgangspunt geldt. Hoewel de plaatsingsadviescommissie (PAC) had geadviseerd tot herziening van de plaatsing, heeft de korpschef dit advies niet gevolgd. De rechtbank oordeelt dat de functievergelijking en plaatsing volgens de geldende regels juist zijn uitgevoerd.
Eisers beroep op de hardheidsclausule faalt omdat de vermeende onbillijkheid voortvloeit uit het inrichtingsplan van de organisatie, en niet uit de plaatsingsprocedure zelf. De rechtbank stelt dat eventuele scheefgroei in de hiërarchie niet onredelijk is en geen aanleiding geeft tot afwijking van de plaatsingsregels. Het beroep wordt daarom ongegrond verklaard en er wordt geen proceskostenveroordeling opgelegd.